Medelohuukske

Loet van Sil en de hervormingen in de landbouw in de jaren zestig.

Tot zo ongeveer 1900 bestond Meijel grotendeels uit kleinschalige gemengde boeren bedrijfjes. De Meijelse mensen leefden van wat hun bedrijfje opbracht en het weinige wat er overbleef probeerden ze te verkopen. Vanaf 1900 kwam daar wat verandering in als gevolg van de opkomst van kunstmest, het ontstaan van coöperaties en verbeterend onderwijs.De opbrengsten namen wat toe maar in de kern bleef Meijel een dorp dat voor het levensonderhoud afhankelijk was van de eigen teelt aangevuld met wat andere inkomsten.

Na de tweede wereldoorlog werden in Meijel allerlei gebouwen en optrekjes  zo goed en kwaad als het kon ingericht als woning, noodwoningen werden gebouwd, huizen en boerderijen werden hersteld. Het oude leven van mensen levend en werkend op kleine gemengde landbouwbedrijven, met veel handwerk en inkomsten uit diverse teelten  en diersoorten werd weer opgepakt alsof er niets veranderd was. Maar dat duurde niet lang. In de jaren zestig begon de opmars van het moderne, gespecialiseerde en gemechaniseerde landbouwbedrijf. Het aantal Meijelse landbouwbedrijven nam in rap tempo af. De ruilverkaveling diende zich aan, de bedrijfsvoering, financiering en agrarische opleidingen gingen op de schop. Er werden cursussen en excursies georganiseerd en er verschenen allerlei vakbladen.

Boer Koekoek

In tien jaar tijd werd de kleine Meijelse boer van voor en direct na de oorlog met zijn gemengd bedrijf  ingeruild voor de boer-ondernemer die efficiency en winstmaximalisatie hoog in het vaandel had staan. Niet alle boeren konden of wilden mee in deze snelle veranderingen. Met name het Landbouwschap  dat de boeren moest begeleiden in het veranderingsproces werd het mikpunt van de frustratie en woede van deze zogenaamde vrije boeren. Vooral in de tweede helft van de jaren vijftig  radicaliseerde de situatie in Nederland. De vrije boeren weigerden om de heffing aan het Landbouwschap te betalen wat in sommige gevallen leidde tot verkoop van hun bezittingen.

De vrije boeren vonden geen gehoor bij de bestaande politieke partijen  en in 1958 werd besloten een eigen partij op te richten, de Boeren partij. Voorzitter werd Hendrik Koekoek die als “ Boer Koekoek” binnen no time een begrip werd in Nederland. Koekoek werd de woordvoerder van de “vrije boeren” en genoot in de zestiger jaren  veel sympathie, hij werd ongekend populair wat zijn weerslag had op de verkiezingsuitslagen. In 1967 verwierf de partij zeven zetels in de tweede kamer. In maart 1963 kwam het in Hollandscheveld, geboorteplaats van Hendrik Koekoek, tot een gewelddadig treffen tussen de vrije boeren en de politie. Het conflict duurde drie dagen en één boerderij ging in vlammen op.

Loet van Sil

De belangrijkste aanhanger van de opvattingen van boer Koekoek en zijn Boerenpartij in Meijel was Loet Janssen van de Steenoven. Hij was een zoon van Silvester Janssen en Maria Magdalena Thijssen. Iedereen kende hem als “Loet van Sil”. In Meijel was Loet een markant figuur met wie je kon praten en lachen, een verenigingsman en  een echte Meijelse die niet hield van veel papier. Die bijzondere mens kon als een echte Meijelse ook vertellen. Zijn hart lag op de Steenoven. Daar kende hij de ouden allemaal bij de volksnaam, Bartele Driekske, die van Bolles en Kaarle, Rinke Nuur, Geurde Friedje, Krusje Marse Pier, Kulse Kupke, Kuttele Lins, Merkus Mam, Pietjes Perkus Corneel en nog veel meer. Hij schreef er zelfs over. Geen wonder dat hij lid van heemkundevereniging Medelo werd, geen  archievenonderzoek maar met de handen werken. De motor van de oude dorskast weer keurig aan het praten krijgen, met Jan van der Asdonk ploegen en karren opknappen, materialen verzamelen en in orde maken. En daarnaast hoorde je hem als lid van de gemeentelijke Werkgroep Culturele Activiteiten vertellen over vroeger.

Als vrije boer verzette Loet zich in de jaren zestig in het kielzog van de Boerenpartij tegen de heffingen van het Landbouwschap. Zijn verzet oogstte in Meijel zoveel waardering dat men in Meijel propaganda voor hem maakte als kandidaat gemeenteraadslid.
Als verkiezingsleus werd de slogan “stem goed, stem loet” gebruikt.
In 1970 werd hij lid van de Meijelse gemeenteraad. In de raad kon menigeen stevig met hem in de clinch gaan maar daar hoefde geen pijn van over te blijven. Bijpraten op zijn boerderij was altijd mogelijk, als je maar niet zei dat het volgens de papieren zo of zo moest. Loet hield er van om de zaak praktisch te bekijken en met gezond boerenverstand naar oplossingen te kijken. In alle vroegte samen met hem passen afmeten of het stuk grond dat de raad wilde verkopen niet groter was dan op papier stond.

Dat het toen in Meijel in de boerenwereld een woelige periode was herinnert ook Wim Basten, de postbode in die tijd, zich nog goed. Bij de “vrije” boeren die weigerden de heffingen van het Landbouwschap te betalen moest hij aangetekende brieven bezorgen die door de aangeschreven boer aan de deur ondertekend moesten worden voor ontvangst.
Er waren er verschillende die weigerden te tekenen en de brieven gingen retour afzender. Die schreef opnieuw een aangetekende brief voor de heffing .
Uiteindelijk verloren de boeren, ook in Meijel, de strijd en namen de grote gespecialiseerde landbouw een grote vlucht.

Gebaseerd op en gedeeltelijk overgenomen uit een artikel van Jos Pouls
in het boek “ Meijel in de jaren zestig”.

Dit boek is een uitgave van Medelo en samengesteld door Herman Crompvoets.

Tom van Bakel.


Macht en molens in Meijel.
In de tweede helft van de 19e eeuw telde Meijel 2 graanmolens.
Een daarvan was een middeleeuwse banmolen die in de storm van 8 november 1800 aan de Molenbaan was omgewaaid en daarna herbouwd werd tussen de Hoek en de Hagelkruisweg.
De andere was begin 1857 gebouwd aan In de Haag, aan de huidige Molenhaagweg.
De banmolen was eigendom van Willem Goossens en die van 1857 was gebouwd door Hendrik Veltmans met steun van onder anderen Jan Lenders.
Deze families, Goosens, Veltmans en Lenders bezaten in Meijel nogal wat macht.

Molen van Derckx van 1857.

De zittende burgemeester Arnold Hubert van der Steen had het daar moeilijk mee en probeerde die macht te breken in samenwerking met Peter Sanders, koster en gemeente ontvanger.
Wat de burgemeester niet wist was dat Peter Sanders, zo rond 1866, er financieel een rommeltje van had gemaakt. Zonder de Gemeenteraad daar van in kennis te stellen had hij 3.940 gulden uitgeleend aan Jan Sanders en er was ook nog een bedrag van 2.000 gulden verdwenen.
Het provinciale bestuur kreeg daar weet van en stuurde een ambtenaar die onderzoek moest doen naar de financiële handel en wandel in Meijel.
Toen bleek dat in de 9 jaar dat van der Steen burgemeester was, er 4.000 gulden verdwenen was. In oktober 1869 moest van der Steen verdwijnen als burgemeester. Koster en  gemeente ontvanger van der Sanden kon als gevolg van een ernstige ziekte geen uitsluitsel geven, hij overleed in januari 1870.

Willem Goossens werd vervolgens burgemeester van Meijel en Jan Truijen uit Weert werd tot gemeente secretaris benoemd.
Van der Steen kon dat slecht verkroppen en naast zijn werk als bierbrouwer en azijnmaker ging hij op zoek naar eerherstel.
Tegenover het machtsblok van Goossens, Veltmans, Lenders  en Truijen, vormde hij samen met o.a. Jan Sanders, Martien van de Kraan, Barthel Nijssen en Jan Franssen een nieuwe partij, het nieuwe licht.
De strijd tussen deze twee machtsblokken leidde in Meijel tot allerlei ongeregeldheden. Er werd op deuren en vensters geslagen, ruiten werden ingegooid, dakpannen en vensterblinden werden kapot gemaakt en er werden schotschriften en karikaturen aangeplakt. Van de daders ontbrak elk spoor, maar het was opvallend dat de huizen van Van der Steen en zijn aanhangers steeds gespaard bleven en dat de ongeregeldheden vaak ontstonden nadat de onruststokers gratis bier hadden genuttigd in de herberg van Van der Steen.

Het nieuwe licht richtte in 1872 de “Maatschappij tot het bemalen van een windmolen” op om op deze manier de macht van de groep Goossens, die de twee bestaande molens in eigendom had, te breken.
Deze maatschappij bouwde een nieuwe molen aan de Hoek, zo dicht bij de oude banmolen dat deze uit de wind kwam te staan en er nauwelijks nog klanten van deze molen gebruik maakten. Deze nieuwe molen werd in de volksmond; Sanders Molen genoemd.
De groep van Goossens halveerde het maalloon bij hun molens maar dat mocht niet baten, de klanten bleven weg.

Ondanks het feit dat Van der Steen c.s. 4 van de 7 zetels in de gemeenteraad van Meijel had verloren ze in 1872 toch de wethouders verkiezingen.
Burgemeester Goossens liet bij het aftreden van zittend wethouder Marten van den Boogaard deze verkiezingen houden op 5 september 1872, een dag waarop 2 leden van de groep van Van der Steen afwezig waren. Lambert van Rijt van de groep Goossens werd tot wethouder gekozen.
De gemoederen liepen opnieuw hoog op, er moest een extra rijksveldwachter en een snel tot onbezoldigd rijksveldwachter benoemde kantonnier aan te pas komen om de rust in Meijel nog enigszins te  bewaren.

In 1873 werden er gemeenteraadsverkiezingen gehouden.
Aan zulke verkiezingen konden in Meijel nog geen 10 procent van de inwoners deelnemen omdat een kiezer minstens 23 jaar oud moest zijn en per jaar meer dan 20 gulden aan belasting moest betalen.
Van der Steen en Sanders betaalden voor 34 mensen uit Meijel extra belasting  om er voor te zorgen dat de hun gunstig gestemde  groep van kiezers toenam.

Op 2 september 1873 werd er gestemd  en de kiezers kwamen naar de herberg van Van der Steen waar ze bier kregen en een al ingevuld stembriefje dat ze enkel nog in de stembus hoefden te stoppen.
Van der Steen werd wethouder met de ambitie om burgemeester te worden en Goossens trad af als burgemeester maar had bij de Commissaris des Konings Jan Truijen al voorgedragen als nieuwe burgemeester, maar Truijen bedankte voor de eer en bleef secretaris. De Commissaris die het gedonder in Meijel zat was benoemde Peter Johan Hubert Vullers, een buitenstaander, tot burgemeester.
Op 23 december 1875 werd Jan Truijen alsnog door een meerderheid van de gemeenteraad weggestemd als secretaris.

Langzaam maar zeker werd het vervolgens rustiger in Meijel de strijd tussen de twee machtsblokken verdween naar de achtergrond. Vanaf 1886 Meijel werd de strijd om de macht omgezet in een  eensgezind college van burgemeester en wethouders.
Joseph Sanders was burgemeester en Arnold Hubert van der Steen en Jan Truijen waren beide wethouder.

In 1878 werd de oude banmolen, die het oude licht werd genoemd, verkocht aan molenaar Lodewijk Pennings in Kessel. Daar staat deze molen  nog steeds en is zij te bewonderen als rijksmonument.
De molen die in 1872 gebouwd was door de “ Maatschappij tot het bemalen van een windmolen” en die bekend stond als Sanders Molen werd in november 1921 door een storm verwoest en weer hersteld. In de nacht van 12 op 13 oktober 1944 is deze molen door Duitsers opgeblazen.
De molen van Derckx van 1857, werd op 27 oktober 1944 door zowel de Duitsers als de Amerikanen zwaar beschoten en uiteindelijk bliezen de Duitsers die dag de restanten op.

Gebaseerd op een hoofdstuk uit het boek; Meijel, bijzonder dorp uit de Peel, geschreven door Henk Willems.

Tom van Bakel


Meijel kent al heel lang recreatie.
Als je op een oude kaart naar Meijel zoekt, valt het op dat het hart van dit dorp op een hoogte ligt met rondom moerassen.
De namen van de toegangswegen duiden daar ook op.
Denk maar eens aan namen zoals Roggelsedijk, Heldensedijk en Nederweerterdijk. Allemaal met lage gedeeltes waar je over heen moest om op die hoogte te komen; ’n gedeelte van deze hoogte die ook wel uit stuifduinen bestond is het ‘Startebos’. Eigenlijk al heel lang een recreatie- en uitloopgebied van Meijel. Allemaal op loopafstand van de ‘straat’ of het centrum.
Op de plaats waar nu de camping ligt, was toen immers al een speeltuin, in de jaren dertig gemaakt door de gebroeders van Bree met allerlei eenvoudige toestellen. En zelfs een springkuil voor hoogspringen en een voetbalveldje.
Regelmatig werden er wedstrijden gehouden, ook in zaklopen. De prijzen waren vaak in de vorm van een peperkoek.
En tussen de eenvoudige doelen, van boshout gemaakt, werden felle duels uitgevochten, tussen K.M.D. Klein Maar Dapper en U.V.O. Uit Vrienden Ontstaan of J.V.S. Jongeren Van De Straat.

                                                                      Jonge wacht 1936.
Bij mooi weer was er soms een ijscowagen van Sjang Basten.
En toen kwamen er klachten. De boeren die op de hoge akkers veelal koren zaaiden, vonden dat er teveel paden werden gemaakt in het koren. En pastoor was er niet blij mee, omdat het lof in de middag werd vergeten.
In de jaren vijftig begon dhr. G. Gooden, kampeerder in hart en nieren, te denken over camping Startebos. Die zou er in de zestiger jaren komen. Het bos kent verder nog diverse kleine eigenaren.
Misschien is dit bos niet altijd even goed onderhouden, toch is het best interessant. Het valt op dat de begroeiing nog veel zeedennen kent. Men beweert dat Truijen er nog veel heeft laten planten en zaaien. De zeedennen zijn in andere bossen veel zeldzamer.
Het bos wordt vanwege zijn ligging nog steeds veel gebruikt voor een ommetje, hetzij met of zonder hond. Het open veldje achter de Bijentuin was vroeger het Molaniaveldje en het was in de jaren dertig in gebruik bij de meisjeskorfbalclub en in de jaren vijftig door de ruiterclub De Roskam. Op de zondagmiddagen gingen de families vaak met zijn allen naar den Hoge Berg. Een witte stuifduin die midden in het bos lag en in sterk afgegraven vorm nog steeds aanwezig is. Wat ik me er nog van herinner is dat kinderen eraf rolden en dat hij zo hoog was als de bomen.
Het bos werd ook af en toe gedund voor gebruikshout en takkenbossen voor aanmaak.       In het midden Gerard Gooden.

En de veevoederketels werden er mee gestookt.
In augustus was de vakantiemaand. Er werden dan net als op woensdagmiddag droge dennenappels geraapt. Deze werden in zakken gedaan door de kinderen. Thuis werden ze in het brandstofschuurtje gedaan voor aanmaak van kachel en fornuis.
Op vakantie gaan kende men toen nauwelijks op de dorpen.
Toch kwam men er wel mee in aanraking door de hotels die Meijel kende. Ook de doorgaande wegen werden door fietsende vakantiegangers gebruikt. Men zag toen in de vakantiemaand al groepen en eenlingen op de fiets doorkomen. De meesten op weg naar Zuid-Limburg en Valkenburg, wat voor de randstadjeugd al een beetje buitenland was.
Ook de jeugdbeweging zoals De Jonge Wacht maakte dankbaar gebruik van het Startebos.

Het bos kende toen ook nog wat kleine heideveldjes; ook hier werd gespeeld en gekampeerd. Nu vindt men op sommige plaatsen veel kuilen en oneffenheden. Deze zijn ontstaan door het laden van witte zand voor gebruik in de kippenhokken. De gemeente deed hier ook flink aan mee om dit witte zand te gebruiken voor fietspaden.
Overigens zijn er ook gaten overgebleven van de stellingen van de Duitsers. Vooral eind oktober 1944 is er verbitterd gevochten. Men gebruikte het Startebos als springplank en camouflage vanaf de Peelkanalen naar het dorp.
Het geheel is niet veel veranderd in al die jaren, niet veel groter, niet veel kleiner. Nog steeds wordt er gespeeld en is er recreatie. Hopelijk mag dat nog lang zo blijven.
En wat ik zelf ervaar. Toen was ik zes jaar en leek het mij zo groot. Wandel ik er nu doorheen, nu ik oud ben, nu lijkt het me maar zo klein.

Sil Verschaeren.

Dit stukje is in het verleden geschreven door Sil en nu hier geplaatst als eerbetoon aan hem. Hij overleed  op 28 maart j.l. na een kort ziekbed op 89 jarige leeftijd. Hij was 40 jaar, vrijwel vanaf het begin, lid van Medelo.

Sil was zeer betrokken en actief.
Medelo verliest een groot verteller met een fenomenaal geheugen!
Inmiddels heeft de camping plaats gemaakt voor de nieuwbouw wijk Startebos.

Tom van Bakel.


Meijel, een haven voor vagebonden.
Grote armoede was in de achttiende eeuw in de Zuidelijke Nederlanden een van de grootste sociale problemen. Langs de wegen dwaalden veel hongerlijders op zoek naar voedsel. Met klopjachten en strenge straffen probeerden de overheden bedelaars en landlopers, die hongerend en wanhopig allerlei wetten overtraden, te ontmoedigen en te verdrijven.
Sommigen zagen geen andere uitweg dan zich aan te sluiten bij vagebonden, waardoor ze afgleden naar de criminaliteit.
Meijel, geïsoleerd liggend in de Peel en grenzend aan het Pruisische Helden en het Staatse Asten en Deurne, was een plaats, waar zulke gauwdieven bij voorkeur hun toevlucht zochten. Bij gevaar konden ze gemakkelijk wegglippen naar omliggende territoria en van de meeste dorpelingen hadden ze niets te duchten. Immers zonder hulp uit Roermond, de hoofdstad van Oostenrijks-Gelder, moesten die zich zelf zien te redden, en dan was het verstandiger om oogluikend toe te zien.

De beruchtste landloper, die in Meijel heeft rondgestruind, is Arike van Turnhout geweest. Eigenlijk heette hij Adriaan Regent maar omdat hij in Turnhout geboren was kreeg hij zijn bijnaam.
Nadat hij uit het Staatse leger was gedeserteerd, sloot hij zich aan bij een bende vagebonden, die in wisselende samenstelling vanaf 1735 in het huidige Limburg, Noord Brabant en de aangrenzende gebieden inbraken en overvallen pleegde. Zijn meeste kompanen eindigden aan de galg of op het rad. Arike, de sluwe vos, wist telkens de dans te ontsnappen.
Hij hield zich geregeld op tussen Maasbree en Helden, in Blerick, op groot Kockerse in de Boekend en in Neer. In Meijel kwam hij vaak bij iemand uit Helden, die aan het eind van de weg naar Roggel woonde. In een ander huisje in Meijel, het eerste aan de linkerkant komend door de Peel vanaf Helden, had hij in een kist een vest en twee pistolen verstopt. De mensen die daar woonden, een oud en een jong echtpaar, heelden.
In Dekeshorst tussen Helden en Maasbree, waar maar drie huizen stonden, verbleven ’s nachts veel gauwdieven, soms wel twintig tegelijk. Ze maakten plezier en slachtten gestolen schapen en hoenderen. Arike en zijn metgezellen maakten de plattelandsbevolking in het Pruisische ambt Kessel het leven zuur.

Op 2 juni 1750 beroofde Arike met zijn bende in Meijel de weduwe Aale van Luyten. Bij haar thuis woonden nog een dochter en twee zoons. Hendrik; een daarvan, was enkele jaren schepen geweest. Toen ‘s avonds de andere zoon naar buiten ging plassen, werd hij overrompeld en drongen vijf kerels het huis binnen. Hendrik, die juist naar bed ging, hoorde in de opkamer hoe ze zijn moeder, zijn oom en zijn broer en zus overmeesterden en knevelden. Hij vluchtte naar de zolder en klom in de hanenbalken om in het rieten dak een gat te maken, van waaruit hij om hulp kon schreeuwen. Een van de overvallers, die buiten op wacht stond, werd dat gewaar. Hij klom op het dak en sneed hem in zijn hand. Hendrik liet gillend los en viel naar beneden. Enkele bendeleden kwamen hem met brandende toortsen in het pikdonker zoeken. Toen ze hem vonden, bonden ze zijn handen op zijn rug en stootten hem van de zoldertrap naar beneden. Eentje haalde een kan olie uit de kelder, zette die bij het vuur en stak een tang in het haardvuur. Toen die gloeiend heet was, stak hij hem in de olie en brandde de neus en het gezicht van Aale en Hendrik ermee, terwijl hij spotte: “Siet eens hoe U die bril past.” Daarna schroeide hij de binnenkant van de dijen van Aale en die van haar broer om ze te dwingen de rest van hun geld te wijzen. Een gedeelte had Aale al gegeven, toen ze werd vastgebonden. Uit het beddenstro haalden de boeven nog eens een buidel met 27 zilveren rijksdaalders. Ook pakten ze kleren, twee lappen linnen en een gekookte ham. Toen de vlakbij wonende president-schepen, door het rumoer gealarmeerd, ze met zijn snaphaan onder vuur nam, namen ze schielijk de benen.

Op 25 november 1750 sloeg de bende in Deurne opnieuw toe. ‘s Avonds drongen ze bij drost Antony La Forme binnen. Ze mishandelden de vijf aanwezigen en roofden geld en zilverwerk ter waarde van ruim 1658 gulden. Een bedrag, waarvoor je destijds een boerderij kon kopen. Arike was ook het brein achter de gewelddadige beroving in de vastenperiode van 1752 in Velden. De bewoners werden geboeid, geslagen en met gloeiende tangen gemarteld. Ze werden voor het brandende haardvuur uitgekleed, met de haal naakt opgetrokken en naar het vuur gedraaid. Arike sneed met zijn mes in de kuiten en onder de borsten van de vrouw, waarna hij en Magere Nol ziedende olie in de wonden goten om te weten te komen, waar het geld was verborgen. Toen Arike hier de grond
te heet onder de voeten werd, zocht hij een ander operatieterrein. In de periode van 1755 tot 1765 was hij vooral in de Luikse en Brabantse Kempen actief, daarna in het Kleefse en in Amsterdam, waar hij woonde op het Franse Pad, een steeg in de Jordaan, waar zijn bijzit stierf. In 1764 trouwde hij met Geertrui Houbrechts. Hij trok zich terug uit het milieu en overleed in februari 1795 te Hasselt.

Ingekorte notitie van Peter Geuskens; bronnen zijn diverse historische centra en archieven.

Tom van Bakel.


Een Meijelnaar in China.
Toen in 1959 een naam voor een nieuw plein in Meijel vastgesteld moest worden viel de naam van Pater Willems op het gemeentehuis van Meijel. De pater zou, zo werd gezegd, op de plaats van het plein nog akkers hebben geploegd en koren hebben gezaaid.
Hij verloor nog bijna de “strijd” toen raadslid Bèr Huijerjans voorstelde om het plein de naam te geven van een andere, veel beroemdere geloofsverkondiger; Sint Willibrordus.
Met zes stemmen vóór werd uiteindelijk toch gekozen voor “Pater Willemsplantsoen”.

Wie was Pater Willems?
Piet Willems was de zoon van Hendrik Willems en Beatrix Gerits, nakomelingen van een geslacht van landbouwers dat in de loop van de tijd letterlijk achteruit geboerd was.
Hij werd geboren in 1877 in een Meijel dat nog een geïsoleerd dorp was met ongeveer 1350 inwoners verspreid over een aantal kleine gehuchten.
De meeste inwoners van Meijel leefden van kleine gemengde landbouwbedrijven en de leefomstandigheden waren eenvoudig en pover.
Piet was een late roeping zoals dat heet. Hij was 26 toen hij besloot het klooster in te gaan. Waarom hij dat deed is wat onduidelijk. Er was geen sprake van een lang bestaande wens om priester te worden of dwang vanuit de ouders zoals je in die tijd wel zag.
Wat mogelijk een rol speelde is het feit dat zijn verloofde, Petronella Janssen, besloten had om de verloving te beëindigen en in het klooster te treden.
Piet trad in in de congregatie van de Franse Paters in Grave die zich speciaal richtte op minder bedeelde studenten, zonen van arme boeren en handwerkers met een late roepingen.
De omstandigheden in Grave waren zeer pover en het regime uitermate sober en streng. Het onderwijs was van een laag niveau, de leermiddelen onder de maat en ouderejaars gaven vaak lessen bij gebrek aan docenten.
Velen haakten al snel af maar Piet bleek een blijvertje.

In 1912 vertrok hij, 35 jaar oud, nog voor zijn priesterwijding naar China. De reden dat hij nog, voor hij formeel priester was, al naar de missie trok is ongewis maar vermoed wordt dat hij via via gehoord had van de mogelijkheid om in China aan de slag te gaan en zelf het initiatief heeft genomen om die stap te zetten.
Op 14 december 1912 werd hij in Pao Ting Fau tot priester gewijd.
Hij stortte zich met volle ijver op het ‘zieltjes winnen’; het was zijn roeping om zoveel mogelijk heidenen van de eeuwige verdoemenis te redden. Zijn missionering verliep moeizaam en zat vol tegenslagen. Ook getalsmatig was het zeker geen succes. Tekenend is dat zijn parochie in Nan Song Tsou’en op het einde van zijn Missionaat waarschijnlijk minder katholieken telde dan bij zijn komst.

Mét veel andere Nederlandse missionarissen, gaf Willems blijk van westers superioriteitsgevoel. Chinezen waren in zijn ogen – bijna zonder uitzondering – van een lagere rangorde. Van respect voor de inlandse religie en cultuur was bij de paternalistische Meijelnaar geen sprake. Hij zag als absolute katholiek er enkel heidendom en afgoderij in. Buiten de Europese Kerk en de Westerse beschaving was geen zielenheil mogelijk. Enkel de doop zou de inlanders het ware geluk kunnen schenken. Er moesten daarom zoveel mogelijk zielen worden gered.
Mede als gevolg van deze opstelling had hij steeds heimwee naar zijn familie en vrienden in zijn geboorteland. Een lang bezoek in 1924, toen hij liefderijk werd opgevangen door de Meijelse armenmeester Lambertus Janssen, diens vrouw en haar dochter, versterkte zijn hunkering naar het Peeldorp nog. Chinezen zijn voor hem altijd vreemden gebleven.
Verreweg de meeste missionarissen dachten zoals hij en Willems was simpelweg een gewone Meijelse boerenzoon zonder hoge intellectuele aspiraties noch bijzondere sociologische of theologische inzichten.

De periode dat Piet Willems missionaris was, duurde vanaf zijn aankomst in China in 1912 tot aan zijn vertrek naar de Maristen in 1930. Toen gaf hij, feitelijk, zijn missietaak op.
Willems kwam daarna als aalmoezenier terecht in de buurt van Peking. Daar sleet hij zijn laatste 17 levensjaren, soms betrekkelijk rustig, soms bedreigd door oorlog en geweld en met een almaar slechter wordende gezondheid.
Of en hoe vaak hij in deze jaren nog mijmerde over zijn geliefde geboortedorp is niet bekend, maar ongetwijfeld zal hij zich wel eens hebben afgevraagd of de keuze die hij in 1912 had gemaakt, wel juist was geweest, en waar al zijn inzet uiteindelijk goed voor was.

In 1947 stierf de Meijelnaar op 70 jarige leeftijd. Hij was fysiek op.
Angst voor de dood had Willems nauwelijks want hij leefde in de zekerheid dat de eeuwigheid de beloning was voor het martelaarschap in naam van God. Volgens het romantische missionarisbeeld hoorde een missionaris te sterven op het slagveld van het ongeloof.
Of zijn grafmonument in Hei Shan Hou nog bestaat, is niet bekend. Moge hij hoe dan ook er nog steeds rusten in vrede, mogelijk af en toe nog mijmerend over de warme, katholieke dorpsgemeenschap die Meijel toen was.

Het is zeker interessant om het boekje  “Pater Willems, Meijelnaar in China” geschreven door Jos Pouls eens te lezen.
Daarin komt het beeld naar voren van een wat naïeve niet bovenmatige intelligente man die enkele, voor zijn leven, cruciale beslissingen vooral impulsief nam.
Eenmaal in een bepaalde situatie beland, was hij iemand die vast hield aan zijn keuzes maar die, zo proef je in het boek, nooit helemaal zijn draai vond in China en in zijn missionaris werk.

Tom van Bakel.


Waarom er meer lange mannen in Meijel wonen dan elders.
In Helden praatte men er vroeger over dat de mannen in Meijel opmerkelijk langer waren dan elders. Als verklaring voor dit verschijnsel werd het volgende verteld.
Meijel lag eeuwenlang als een eiland in het moeras van de Peel. Het contact met de dorpen aan de andere kant van de Peel was in vroeger eeuwen door dat moeras wel wat moeilijker dan nu. Bovendien lag het op de grens van Brabant. Een geschikte uitwijkplaats voor mensen voor wie het in hun eigen dorpen niet veilig was.

Van 1713 tot 1740 was Frederik Willem I Koning van Pruisen.
Die Frederik Willem I was, behalve Koning van Pruisen, ook Hertog van Gelder. Zijn zeggenschap strekte zich uit tot Venray en daaronder viel ook het land van Helden en Kessel.
Je zou denken dat dat niet iets is waar de Meijelsen van die tijd zich over opwonden.
Meijel behoorde in die tijd namelijk tot het Aartshertogdom Oostenrijk.
Deze Frederik Willem I had een wat vreemde hobby; hij verzamelde lange mannen!
Het verhaal gaat dat deze lange mannen minstens 2 meter groot moesten zijn.
Als je  de geschiedenis boeken er op na slaat wordt daar een lengte van minimaal 6 Pruisische Voet (1,88 meter) genoemd wat in die tijd, waarin de mens veel kleiner was dan nu, erg groot was.
Met die lange mannen stelde hij een bijzondere lijfwacht samen; de Riesengarde.
Hij was voor die Garde voortdurend op zoek naar lange kerels en liet stad en land afstropen door zijn “wervers”.
De methode waarmee deze werving werd uitgevoerd steunde blijkbaar niet op een wet voor de krijgsdienst, maar op vrijwilligheid. De uitgezochte kandidaten werden, als het kon thuis benaderd, maar dienst bij de koning werd door de jongens en hun ouders zo gevreesd, dat het zelden tot een contract kwam, ook al bood men handgeld.
De ronselaars probeerden dan in cafés, door het aanbieden van drank en handgeld de jongens tot tekening van een contract over te halen en, als dat niet lukte, hen te overvallen en mee te voeren.
Die soldaten­wervers kwamen ook in Helden. Ze hingen aanplakbiljetten op, waarop stond “Es wird auch, nach der Mannes-Mas, ein gutes Hand-Geld gegeben”.
Door de belofte van dat hand­geld werden jonge kerels naar inschrijfher­bergen gelokt en flink voorzien van alcohol zetten ze daar hun hand­tekening onder het Pruisische contract.
Eenmaal in de Riesengarde opgenomen kwam men vrijwillig niet meer vrij.
Deze wervingen moeten blijkbaar jaren achtereen zijn doorgegaan.

Links op de foto W. Rooijakkers (Merkus Willem), een typisch voorbeeld van de lange “echte Maelsen” zoals er oorspronkelijk bij deze foto uit 1910 Stond. Rechts op het paard zit Linske Rooijakkers.
De schrikbeelden van dit soort mensenroof bleven lang hangen. Een verteller uit Kessel zei dat de Duitse wervers van dorp tot dorp trokken over een, tot in zijn tijd in Neer-Kessel-Baarlo en Maasbree, nog aan te wijzen pad door de velden, dat men zelfs “de wervers-paad” ging noemen.
Het liep van Maasbree over Zandberg en Soeterbeek naar Baarlo. Vandaar richting Hummeren, Oijen-Hout, over de Tasbeek de Scheiweg volgend, langs Kessel heen naar Eijck-Hanssum en Neer. Restanten van dit pad bleven in gebruik.

Er was ook verzet tegen de wervers. Zo naderden twee wervers eens het dorp Kessel en hoorden in een schuur het geklop van vier dorsvlegels (de vierslag). Twee jonge knechten konden zich nog verstoppen boven de deel. De twee wervers kwamen binnen en vroegen: “Jullie waren met vier. Waar zijn de twee anderen ?” Ze pakten zelf de ladder en klommen op de overdeel om ze te zoeken. De jongens echter sloegen hen beiden van de ladder naar beneden op de harde dorsvloer. Totaal onthutst en flink gekneusd gingen ze onverrichterzake verder.

De meeste lange jonge mannen uit Helden, Kessel en Sevenum hadden er geen enkele behoefte aan in de Pruisische Riesen­garde opge­nomen te worden. Ze vluchtten, door het moeras­sig gebied rond de Sloot en trokken zo naar het noordelijk­ste gebied van het Oostenrijks Over­kwartier van Gelre, Meijel dus. Daar had­den de Pruisen niets te zeggen. De jonge mannen vonden er knappe Meijelse dörskes, trouwden met hen en kregen kinderen van grote lengte.
Toen Frederik II de Grote, bijgenaamd der alte Fritz, en zoon  van Frederik Willem I van Pruisen, in 1740 een einde maakte aan de hobby van zijn vader, hadden voldoende lange mannen in Meijel wortel geschoten. Daarom wonen er in Meijel meer lange mannen dan elders.
Behalve dat het een wat vreemde hobby van Frederik Willem I was, had het oprichten van dit regiment van “Lange Kerls” ook nog een praktische reden.
Langere mannen konden geweren met langere lopen gebruiken. De laadstok kon sneller uit de voorlader getrokken worden en ingevoerd worden in de loop van het geweer. Met zo’n geweer met een langere loop konden de mannen verder en nauwkeuriger schieten.
Toen het regiment in 1740 werd opgeheven bestond het uit 3.200 mannen.
Het is niet bekend of daar ook mannen uit het land van Helden en Kessel bij zaten.

Dit artikel is gebaseerd op twee notities c.q. uittreksels van boeken in het archief van respectievelijk Henk Willems en Herman Crompvoets.

Tom van Bakel.


 Dit verhaal van een ooggetuige van de oorlog in Meijel komt uit het boek; “Meijel en de tweede wereldoorlog. De laatste getuigen.”

Bèr Nijssen, geboren in 1933, in de oorlog woonachtig in de Vieruitersten.
‘Mijn vader was Sjeng Nijssen (Sjeng van den Engel) en mijn moeder To van der Weerden (To van Hillekes’ Bert). Ik had nog twee broers, Jacq (die later in Steyl priester werd) en Tom, en twee zussen, Roos en Door. Vader had een boerderij op de Vieruitersten.

Mijn verhaal speelt zich af in de herfst van 1944. De Duitsers zaten aan de overzijde van het kanaal en er werd hard gevochten. We moesten op een gegeven moment van de Duitsers weg, naar Venlo, maar dat deed mijn vader niet. We gingen naar opa en oma van moeders kant, die in de Steegstraat in Meijel woonden. Daar waren wij buiten aan het spelen. Cor van der Asdonk en mijn broer Jacq gingen kijken naar de eerste Amerikanen die in Meijel aankwamen. Ik mocht niet mee omdat ik nog te jong was.

Ik was bij opa en oma toen de Duitsers op de kerk en de melkfabriek begonnen te schieten; vooral de schoorsteen was een geliefd mikpunt. Oma van vaders kant (den Engel) woonde bij ons in de Vieruitersten in en was met ons meegegaan naar de Steegstraat. Ze was melkbussen aan het wassen en toen viel er een granaat neer op den Doelhof. ‘We moeten naar binnen’, werd tegen ons geroepen, maar het was nog ver weg, dus dat deden we niet. En toen kwam in een keer een granaat bij ons in de achterkeuken terecht, boven de pomp waar oma de melkbussen aan het wassen was.
Mijn oma was op slag dood. Het was op de 20ste oktober, ik ben dat nooit vergeten. De granaatscherven raakten ook mij en verbrijzelden mijn hiel helemaal. Niek en Tun Trines waren die dag bij Sanders’ Ber en kwamen kijken wat er bij ons was gebeurd. Zij hebben mij naar buiten gedragen waarbij ze nog een paar keer op de grond moesten gaan liggen vanwege het granaatvuur. Pijn had ik gelukkig niet. Ze brachten me naar de melkfabriek, die tegenover ons lag. Toen ik daar kwam, liep er een grote bouvier rond waarvoor ik erge schrik had. Het beest deed echter niemand kwaad.
Mijn moeder stond toen het gebeurde, te koken in de achterkeuken.
Zij had de kleren tussen haar benen helemaal aan flarden, maar gelukkig mankeerde haar niets.
Ook was een poot van het fornuis kapot door het geweld. Mijn zus Door had een scherf in een arm en een been, maar gelukkig niet heel erg.
Ik werd in een open Amerikaanse auto naar Asten gebracht, naar het lazaret. Ik weet nog dat de vlag van het Rode Kruis langs mijn gezicht wapperde. In Asten kwamen Meijelse mensen kijken naar wie er in de auto lag. Ik dus. Mijn zus ging ook naar het lazaret. Ikzelf moest daarna door naar het ziekenhuis van Helmond en moest daar zes weken blijven.

 

De jonge Bèr Nijssen in opleiding tot schoenmaker op de Heibloem, ca. 1948.

 

Mijn onderbeen werd halverwege de voet en de knie geamputeerd. De voet was niet meer te redden. Ik meen dat ik één keer bezoek heb gehad van vader en moeder, want het was voor hen erg moeilijk om er te komen. Wraakgevoelens tegenover Duitsers heb ik overigens nooit gehad over het gebeuren; ook een Amerikaan of Engelsman had de granaat kunnen afvuren.
Na die zes weken ging ik voor verder herstel naar Aarle-Rixtel. Met Sinterklaas 1944 mocht ik gelukkig naar huis. De oorlog was inmiddels in Meijel afgelopen. Ik heb nog lang op krukken moeten lopen, die gemaakt waren door Coumans op de Hoek. Dat ging overigens prima. Tussen de één en twee jaar heb ik zonder prothese gelopen. In Leiden (en later in de St. Maartenskiniek in Nijmegen) werd op een gegeven moment een prothese voor me gemaakt.
Omdat ik nog in de groei zat, moesten er steeds nieuwe protheses komen.
Van de gemeente kregen mijn ouders 100 gulden voor nieuwe broeken; vanwege de prothese sleten die namelijk snel. Met mijn plechtige communie kreeg ik een pofbroek zodat de prothese niet te zien was.
Ik kan achteraf zeggen dat ik 75 jaar zonder veel problemen met de prothese heb kunnen lopen.
Zelfs voetballen met mijn vrienden – o.a. Jac en Jo Crompvoets, Frits van der Koelen, Geert Ghielen, Hadje Martens en Jo Lenders – en dansen lukte met de prothese.
Vanwege mijn beperking volgde ik na de lagere school van 1946 tot 1949 de opleiding voor schoenmaker en schoenhersteller aan de ambachtsschool St. Aloysius op de Heibloem zodat ik in het eigen onderhoud zou kunnen voorzien. Daarna heb ik twee jaar bij Rulkens in Roermond gewerkt en bij Van der Kop in Heythuysen.

 

Schoenmakers in opleiding op de Heibloem; Bèr is de jongen
met hand op de rechter schouder;
Jacq Janssen uit Beringe
(schoenzaak Panningen, later Trend) = kleine jongen naast
staande jongen rechts.

 

In 1954 ben ik als schoenhersteller voor mezelf begonnen in het nieuwgebouwde huis van mijn ouders in de Dorpsstraat. Mijn zus Roos deed de verkoop in de winkel. In 1960 ben ik getrouwd en zijn mijn ouders verhuisd naar de Jan Truijenstraat. Tot mijn 63ste heb ik de winkel met schoenherstel gehad.’

Het boek Meijel en de Tweede Wereldoorlog bevat, naast 60 van dergelijke ooggetuigen verhalen en fragmenten van dagboeken, ook een historisch intermezzo waarin ingegaan wordt op wat “de rafelranden van de Meijelse oorlog” wordt genoemd. Daarin gaat het onder andere over foute Meijelsen en goede Duitsers. Dit boek is te koop voor € 18,50 bij Medelo en Coolen Pluijm.

Tom van Bakel


Nieuwe rubriek op de site van KBO Meijel.

De oudste schriftelijke vermeldingen van Medelo, zoals Meijel toen heette, dateren van ergens tussen 1300 en 1400.
De kern van dat Medelo lag nabij de St. Wilbertsput die nu zowat op de grens tussen Noord Brabant en Limburg ligt.
In dat gebied, Luttel Meijel genaamd, stonden nabij de Molenstraat in het begin van de vijftiende eeuw de belangrijkste gebouwen, eigendommen van de heer van Meijel: een grote pachthoeve, een ruim ingerichte herberg Den Swaen, waar ook de bijeenkomsten van de schepenen, het dorpsbestuur, gehouden werden, de banmolen waar iedere Meijelnaar tegen betaling zijn koren moest laten malen en eenelfde ten behoeve van de Heer moest achterlaten, het panhuys, de enig toegestane bierbrouwerij waar op elke liter gebrouwen bier voor diezelfde heer belasting geheven werd.
Het gebied heette na 1600 De Hof, naar de oude pachthoeve.
De kerk van Meijel stond voor 1400 al in het huidige centrum, waar zich na 1645 ook de bestuurlijke macht vestigde. Tot 1795, het jaar dat de heerlijkheid Meijel voorbij was, werd hier de pastoor aangesteld op voordracht van de heer van Meijel, terwijl het gemeentebestuur voorstellen mocht doen voor een nieuwe kapelaan. De geschiedenis van Meijel, maar ook de eigen taal, de vaak armoedige boerderijtjes, de herbergen en de werkzaamheden van de bewoners werden vele eeuwen lang volledig bepaald door de geïsoleerde ligging in de Peel, aan die oude weg tussen Brabant en Limburg.
Het harde pioniersleven bracht daar geen kastelen of grote herenhuizen, hoewel de Vrijheerlijkheid Meijel voor de heren van Meijel een kostbaar bezit was. Zij hoefden er tot in de achttiende eeuw geen hogere macht te erkennen en voor de inwoners was er zelfs geen appel bij een andere rechtbank mogelijk na een uitspraak van de schepenen in de Meijelse dingbank. Het oude dorp kende vele eeuwen van armoede door de schrale en weinige grond en door de overlast van doortrekkende en rovende troepen in vele oorlogen en tijdens perioden van algemene werkeloosheid en ellende. Noodzakelijkerwijs groeide er daarom een gemeenschap met saamhorigheid (nòbberschap), verenigingen en coöperatie.
Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw brak Meijel langzaam open, toen na de aanleg van de vier kanalen de oude mulle zandwegen veranderd werden in verharde banen over de dijken door het veen (Heldensedijk, Roggelsedijk en Nederweerterdijk) en toen met moderne technieken de woeste Peel beter omgezet kon worden in landbouwgrond. Meijel bleef nog lang een hoofdzakelijk agrarische gemeente, maar na de Tweede Wereldoorlog werd het ook aantrekkelijk voor ambachtelijke bedrijven, voor hen die in plattelandssfeer willen wonen en voor toeristen die rust en natuur met goede wandel- en fietsroutes zoeken met voorzieningen op korte afstand.
Al die jaren van geschiedenis van Meijel hebben, dat kan niet anders, verhalen opgeleverd over bijzondere mensen en bijzondere gebeurtenissen.

Deze verhalen zullen, met ingang van 15 december aanstaande, maandelijks verteld worden in een nieuwe rubriek die op de site van de KBO Meijel verschijnt.
Dit in samenwerking met de Heemkundevereniging Meijel.

De naam van deze rubriek wordt; “ Medelohuukske”.
Bron; Geschiedenis Meijel. Meijel in vogelvlucht.

Tom van Bakel.