Medelohuukske

De kerken van Meijel.

Vóór 1300 bestond Meijel reeds als dorp in de Peel. Het was een geïsoleerd gelegen gemeenschap van pioniers die in de eeuwen daarvoor de moeilijk begaanbare peeldoorgang en woeste gronden hadden omgewerkt tot hoeves of ontginningen.
In die gemeenschap is in 1340 sprake van ‘goederen van Sint Nijcholaes van Meijel’.
Het is echter niet duidelijk of hier de gemeenschap of de kerk bedoeld wordt. Sint Nicolaas was patroonheilige van zowel het dorp of de gemeente Meijel als van de parochie.

Tekening gemaakt in 1788 van de kerk gebouwd in 1425

In het absentieregister van het bisdom Luik wordt de Meijelse kerk in 1400 genoemd; ‘Meyell, eccl. placet’, er is een kerk en de rector is met verlof afwezig. Waarschijnlijk was het een kapel van geringe orde, want belasting hoefde nauwelijks betaald te worden en eigen priesters worden niet genoemd. Meijel hoorde tot 1559 binnen dekenaat Maaseik tot het bisdom Luik.
Op 2 februari 1417 erfde Johan heer van Ghoor, Pol, Panheel en Meijel de heerlijkheid Meijel van zijn vader Arnold van Ghoor en Merlo. Waarschijnlijk heeft deze heer Johan rond 1425 een groot aandeel gehad in de stichting van de stenen kerk met plaats voor zo’n 125 gelovigen en een toren die tot 1903 bleef bestaan. Deze heer van Meijel had ook het patronaats- of collatierecht. Hij mocht, evenals zijn opvolgers, hoewel na 1550 protestant, de pastoor van Meijel benoemen. Jean Mathieu Frans Frische werd in 1764 nog benoemd door gravin M.L. van Millendonk.

Kerk van 1835 gefotografeerd in 1898

De heer van Meijel had ook de zorg voor de woning van de pastoor. De woning van de kapelaan moest verzorgd worden door de schepenen en de heer samen. De schepenen hadden na 1727 het recht een kapelaan voor te dragen, zo mogelijk een uit Meijel. De oude middeleeuwse kerk was rond 1800 veel te klein. Onder aanvoering van de maires (burgemeesters) Theodoor Goossens en Bartel van der Steen begon men gelden voor een nieuwe kerk in te zamelen. Toen Meijel van 1830 tot 1839 bij België hoorde, kreeg Van der Steen na lang aanhouden en via Koning Leopold I zoveel subsidies dat een goedkope kerk gebouwd kon worden. Daarbij zou de middeleeuwse toren behouden blijven. Het werd de Waterstaatskerk, gebouwd onder regie van architect L. Spaak en het ministerie van Waterstaat en Publieke Werken.
In 1837 werd het gebouw in gebruik genomen, maar door de hele negentiende eeuw heen moesten er grote reparaties verricht worden. Pastoor Peter Cleevers begon al vrij snel na zijn aanstelling als pastoor in 1877 te werken aan een nieuwe kerk. Het grote probleem waar hij op stuitte was de Neerkantse onzekerheid. De inwoners van Neerkant, gelegen in het Brabantse Deurne, waren altijd in Meijel naar school en kerk gegaan, maar zij streefden rond 1880 naar een eigen kerk. De onzekerheid duurde pastoor Cleevers te lang, zodat hij in Meijel begon met de voorbereidingen voor een zuster-klooster met oudemannen-huis en meisjesschool. De bouw daarvan begon in 1895. Neerkant kreeg tussen 1887 en 1891 een eigen school en een eigen kerk.
Pastoor Jan Arnold Wouters zette in 1896 het werk van voorganger Cleevers voort en kreeg het klaar in 1902 met de steun van alle parochianen te beginnen met de bouw van een grote kerk in Meijel. Op het kerkhof werd een noodkerk geplaatst en de oude toren werd gesloopt. De nieuwe kerk werd getekend door vader Jan en zoon Hubert van Groenendael, leerling van Pierre Cuijpers. Het werd een kerk van de Meijelse mensen, de Kathedraal van de Peel. Ze kwamen op voor de kosten en voor de vele in de jaren daarna aangebrachte verfraaiingen. In 1943 waren alle kosten van het gebouw afgerekend. Het was dan ook een geweldige klap voor de bevolking toen op maandag 25 september 1944 om 8:43 uur de kerk door de Duitsers opgeblazen werd. In de dagen erna werden de hogere resten ook nog weg geschoten.
Herbouw bleek niet mogelijk. Op de dreef van Kerkstraat naar klooster werd in 1946 een noodkerk gebouwd, na 1955 achtereenvolgens in gebruik als gymzaal, bibliotheek en beugelbaan.

Ansichtkaart 1905

Onder leiding van pastoor Joseph Schreurs werd in 1953-1955 de huidige kerk gebouwd, getekend door Ir. Frits Peutz. Het werd een sobere kerk, die met zijn hoogte van 82,50 meter, zijn zebra-achtige mergelband-strepen, de dakglooiing als een schip en zijn binnenruimte als een Gotische hallenkerk met gebogen ribben in het gewelf en rustgevende glas in lood ramen steeds meer waardering krijgt.
De parochie H. Nicolaas Meijel hoorde tot 1559 onder het dekenaat Maaseik van bisdom Luik. Van 1559 tot 1801 viel het onder het landdekenaat Weert van het bisdom Roermond. De Meijelse pastoor Peter van Straelen was van 1758 tot zijn dood in 1764 landdeken. Van 1801 tot 1841 hoorde Meijel bij bisdom Luik en daarna bij vicariaat en bisdom Roermond (1841-1853). In 1930 werd de parochie afgescheiden van dekenaat Weert en opgenomen in het nieuw opgerichte dekenaat Helden. Vanaf 1 mei 2012 is dekenaat Helden opgegaan in dekenaat Horst.  De parochie Meijel en de gemeente Meijel waren zeer met elkaar vervlochten. Vanuit de kerk werden tot 1800 onder meer onderwijs en steun voor armen verzorgd, maar de pastoor had als schrijfkundige en adviseur ook een belangrijke functie in het dorpsbestuur.
In de negentiende eeuw trok de burgemeester de kar voor de bouw van kerk en kapelanie, terwijl de pastoor vast lid was van het gemeentelijk armenbestuur. Het onderwijs voor meisjes werd van 1897 tot 1965 en voor jongens van 1929 tot 1965 bestuurd vanuit het kerkbestuur. Maar ook op gebied van jeugdwerk nam het kerkbestuur taken op zich. Het voetbalveld werd door het kerkbestuur ter beschikking gesteld en vanaf 1938 zorgde dit bestuur ook voor een patronaat met jeugdhuis, waar na de oorlog de eerste Meijelse bibliotheek was.

Na 1965 werden veel van de taken in onderwijs en jeugdwerk door de gemeente Meijel en zelfstandige stichtingen overgenomen, maar de samenwerking en de gezamenlijke viering van kerkelijke en gemeentelijke feesten bleef.

Overgenomen uit: “Inventaris van de archieven van de parochie H. Nicolaas Meijel”  geschreven door Henk Willems. Naast de tekst die hierboven staat is in het oorspronkelijke stuk van Henk Willems een uitgebreide opsomming van het archief en inventarisatie van de betreffende kerken opgenomen.

De Meijelsen hebben acht kerken gehad:

  1. die van voor 1425 (niets van bekend)
  2. die van 1425 – 1835
  3. de strokerk op de Schans 1798-1801 (niets van bekend)
  4. de Waterstaatskerk van 1835 – 1901
  5. de noodkerk op het kerkhof 1901-1903
  6. de Kathedraal van de Peel 1903-1944
  7. de noodkerk aan de Kerkstraat, op de Dreef
  8. de huidige kerk van 1955.

Tom van Bakel.


Het onderwijs in Meijel.

Toen ik in oktober 1951 in Meijel met lesgeven begon, had ik het klaslokaal nog nooit gezien. De jeugd kwam binnen, er leek geen einde aan te komen. Toch stond er voor alle 52 leerlingen (de 2e klas + de helft van de 3e) een bank. Ik ging eens kijken in de kast, waar de boeken lagen. Het rumoer achter mij werd steeds luider. Toen het hoogtepunt bereikt was draaide ik me om, wachtte tot het doodstil was, en zei: “Zoiets ben ik niet gewend!” Doodse stilte. Wat ik dan wel gewend was, vertelde ik er maar niet bij. Met de orde heb ik verder geen last meer gehad.
De jongens zaten met twee in één bank. In het midden de inktpot, waarin de  kroontjespen gedoopt moest worden. De balpen was pas uitgevonden, maar was nog niet geschikt om in de school te gebruiken.
Achter in het lokaal was een grote potkachel. Deze werd met stro elke morgen aangemaakt en als het flink winterde, dan had je het tegen half elf redelijk warm voor in de klas. De leerlingen vlak bij de kachel waren dan half geroosterd.

Jongensschool 6e klas 1953

De vloer was van houten planken met flink wat reten er in. Liet je een potlood vallen dan had je alle kans dat je die nooit meer terugzag. Onder het speelkwartier werd er geen koffie geschonken. De juffrouw (Veltmans) fietste even naar huis voor een kopje chocolademelk, het hoofd (Crompvoets) liep even naar huis voor een bakje koffie. De rest van de leerkrachten stond bij de kachel in het lokaal van Crompvoets, vanwaar we de hele speelplaats konden overzien. Werd er door de leerlingen ruzie gemaakt dan waren we er vlug bij.
Vergaderingen werden er niet uitgeschreven, misschien om de eenvoudige reden dat er geen vergaderlokaal was. Wat we moesten bespreken gebeurde rond de kachel tijdens het speelkwartier. Iedere maandag van de maand was er verplicht biechten. Je liet de leerlingen vrij om te kiezen tussen de pastoor, de kapelaan of de pater. Deze laatste assisteerde de eerstgenoemde en kwam uit Panningen. Was de een of andere rij te lang, dan stuurde je de leerlingen naar iemand waar de rij bijna klaar was, want je moest weer op tijd naar school terug.
Diverse keren gebeurde het wel eens dat je een plasje op de grond vond, daar achtergelaten door een of andere zondaar. (Ocharm mennekes van 7 à 8 jaar.)

Enkele leuke ervaringen.
Ik had in de vierde klas eens in de menskunde les het gebit behandeld. Nadat ik gepraat had over het melkgebit, snijtanden, hoektanden en kiezen, kroon, hals en wortel, moest zo nodig een proefwerk volgen. Op mijn vraag; “Wat voor soort tanden heeft een mens?” antwoordde een van mijn leerlingen; “een mens heeft melktanden en koffietanden.”

Onderwijzend personeel H. Hart school 1953.

Op een keer had het gesneeuwd en onder de pauze mochten de jongens sneeuwballen gooien, als ze maar niet in de richting van de ruiten gooiden. Maar als de bel geklonken had en ze in de rij moesten gaan staan, dan was verder gooien ten strengste verboden. Toch waagde een van mijn leerlingen nog één balletje.
Ik riep hem op het matje en zei; “oprapen die bal en in je zak steken.”
Ik gaf hem een plaatsje achter de inmiddels lekker warme kachel en na een kwartier mocht hij weer in zijn bank plaats nemen.

Dit verhaal is overgenomen van een velletje papier dat gevonden is in het archief van Medelo. Het zijn herinneringen van Meester Wim Driessens van de jongensschool in de jaren 50.

Tom van Bakel.


Gebbel Smolenaars.

Iedereen kent waarschijnlijk, op zijn minst in grote lijnen, het verhaal van de vondst van de Gouden Helm in de Peel.
Maar wie was die turfarbeider, die het “goud van de Peel” vond? Wat is er bekend over de persoon Gebbel Smolenaars?
Interviews en archiefonderzoek leverden de volgende gegevens op.
Gebbel Smolenaars werd op 6 februari 1878 geboren in Nederweert (gehucht  Hoeven). Daar overleed in 1884 zijn vader, de keuterboer Peter Jan Smolenaars, waarna zijn moeder (Anna Sieben) in 1885 hertrouwde met de Meijelnaar Theodorus Scheijven. Deze was eveneens weduwnaar.
Gebbel had één broer, Sjef, die een jaar jonger was. De beide broers gingen, zoals dat tot 1945 normaal was, al vroeg uit werken als boerenknecht, maar schakelden vervolgens over op de turfgraverij. Dit had alles te maken met de hoogtijdagen van de Peelvervening omstreeks 1900.
In februari 1903 trok het gezinnetje naar de Donk in Meijel (nr. B 118), waar ze het pand betrokken van Koob Verstappen, die naar Asten verhuisde.

Jan Smolenaars zoon van Gebbel, 1938.
Van Gebbel zelf zijn geen foto’s bekend.

Broer Sjef (1879-1962), alias “Scheijven Sjef” naar zijn stiefvader, huwde in 1907 met de Meijelse Johanna van der Elsen en vertrok vervolgens naar Liessel om twee jaar daarna weer in Meijel (Vieruitersten) terug te keren.

Gebbel trouwde 10 januari 1910 met de twee jaar oudere Hendrika (Drika) van der Elsen (1876-1950). In de burgerlijke stand staat hij dan vermeld als  “veenarbeider” terwijl het beroep van Drika “naaister” is.

Het huwelijk tussen de twee wordt voltrokken door niemand minder dan Jan Truijen, die hem later dat jaar nog behoorlijk moest bijstaan, zoals nog zal blijken. Getuigen waren Willem en Jos Geris, Willem Snijders en Willem Manders. Uit het huwelijk werden vier kinderen geboren, waar van er een, een meisje al na een paar weken overleed.
De andere kinderen waren, Miet, Jan en Piet, die anno 1994 allen zijn overleden. Gebbel woonde waarschijnlijk vanaf zijn huwelijk in het huidige pand Molenstraat 53, dat hij in 1911 voor 600 gulden kocht van Driek Loyen (kadaster A2100 en A 545, totaal 28 are), ongetwijfeld met de opbrengst van de gouden helm. De beide ouders van Gebbel woonden bij hem in, “aan de kant van Derckx  zijn molen.” Zijn moeder overleed in 1915, zijn stiefvader in 1927. Gebbel zelf stierf in 1930 op slechts 52-jarige leeftijd.

Behalve de vondst van de Peelhelm zijn er twee dingen die Gebbels leven diepgaand en negatief hebben beïnvloed: zijn ziekte en de bittere armoede van het gezin Smolenaars. Beide zaken hingen eng met elkaar samen. Ziekte betekende toentertijd immers niet in staat zijn tot fysieke arbeid en dus geen inkomen. Gebbel heeft feitelijk heel zijn leven te kampen gehad met astma, of zoals zijn arts uit Valkenswaard het noemde “gezwollen longen”. Naarmate hij ouder werd, verergerde de ziekte alleen maar. Dit uitte zich in hoestbuien, kortademigheid en algehele fysieke zwakte. Daardoor was hij niet of nauwelijks in staat tot het verrichten van arbeid. Werken op het land was moeilijk en de zware Peelarbeid werd voor hem al snel onmogelijk, zeker toen hij wat ouder werd. In de jaren twintig moesten anderen voor hem turf steken en halen. Tot het maaien met de zicht was Gebbel in deze periode, hij was toen een goede veertiger, in elk geval niet meer in staat, ondanks dat hij het wel eens probeerde. Het enige dat nog wel lukte was vlechten, Gebbel maakte stoelzittingen van pitriet, biezen en zelfs van stro indien hem dat werd gevraagd. Maar zelfs dit lichte werk ging hem moeilijker en moeilijker af. Gebbel had simpelweg geen lucht.

Echtgenote Drika had het geluk vroeger een beroep te hebben geleerd, waardoor ze met naai- en verstelwerk wat bij kon verdienen (ze schijnt volop manchester en andere broeken te hebben gemaakt voor 1 gulden per stuk). Tevens kreeg de familie Smolenaars enige steun uit de kas van het Burgerlijk Armbestuur van Meijel (“den erme”) en beschikte ze over een flinke moestuin

Boerderij van Gebbel Smolenaars in 1950.

Willemke Verheijen schijnt volgens Jan Ulen wel eens turf voor het gezin Smolenaars gehaald te hebben en ook de familie sprong geregeld bij. Neef Thei Smolenaars, in 1994 78 jaar oud, weet zich nog te herinneren dat oom Gabriël geregeld een stuk vlees kreeg als zijn vader Sjef, enige broer van Gabriël, een varken had geslacht. Diens zus Miet Tillemans-Smolenaars  bevestigt dit en weet nog precies hoe ze om de dag een kannetje melk en wat eieren naar oom Gabriël moest brengen en ook wel eens boekweitmeel.
Drika zat dan vaak in het kamertje langs de weg te naaien terwijl de lange tengere Gebbel boven het bord met astmapoeder hing.
Neef Thei herinnert zich nog het kleien huisje van zijn oom, met de lage, kleine kamers en de donkere bedkoets “wat toch niet bevorderlijk kan zijn voor iemand met astma”.

Dankzij een tweetal geiten, die zich bevonden achterin het huisje naast de “wc”, was er af en toe wat eigen melk beschikbaar.
Dezelfde zegsman meldt overigens dat oom Gabriël best slim was, “om eerlijk te zijn slimmer dan mijn eigen vader”. Uit de brieven die hij richtte aan het Rijksmuseum van Leiden blijkt in elk geval een net en bijna foutloos handschrift, alhoewel de brieven uit 1917 wat brozer en bibberiger zijn dan die uit 1910-1911.
Medicijnen haalde Gebbel onder anderen uit Asten. Het betrof de hierboven genoemde poeder die op een bord moest worden gerookt en ingeademd.
Enorme hoestbuien en slijmopgaves waren het gevolg. De voormalige buurjongen Sjeng van Deurssen  weet zich nog te herinneren dat het hele huisje rook naar astma-poeder. Ook gebruikte Gebbel vaak abdijsiroop om de ellende wat te verlichten.
De opbrengst van de helm betekende voor de arme Gebbel natuurlijk een geweldige opsteker. Hij kon er namelijk niet alleen het pandje aan de Molenstraat van betalen, maar had nog een bedrag over ter hoogte van meer dan een goed jaarsalaris van die tijd. Toch heeft de vondst door zijn chronische ziekte op langere termijn geen verlichting betekend.
Gabriël Smolenaars is in de koude winternacht van 24 februari 1920, nog net aan de vooravond van de crisisjaren, om vier uur ‘s morgens werkelijk straatarm gestorven. Hij was slechts 52 jaar oud en liet een vrouw van 53 jaar en drie kinderen van respectievelijk 17, 13 en 11 jaar achter. De buren Kobus van der Elsen en Graad Nijssen deden de overlijdens-aangifte van een man die zijn hele leven “goed kerks” was geweest. Een bidprentje zat er niet aan. Sterker nog; omdat de familie niet in staat was om de kosten van de begrafenismis te voldoen, liet men de eenvoudige kist achterin de kerk staan tijdens de mis.

Wat een afscheid voor de vinder van “het goud van de Peel”…..!

Overgenomen uit het boek; ” de roep van de Romein” geschreven door Jos Pouls en Herman Crompvoets.

Tom van Bakel.


Pastoor Van Straelen, het leed en het wonder.

In de eerste periode van de alom bekende Bokkenrijders (1734-1756) is Peter van Straelen pastoor te Meijel. Daar krijgt hij te maken met alle soorten zwervende mensen, vagebonden, weggelopen soldaten, zigeuners en niet-genode gasten, die veel minder bekend zijn. Meijel uit die tijd wordt wel beschreven als ‘Dit armoedige Peeldorp was door zijn natuurlijke gesteldheid, door de mogelijkheid snel te retireren naar een ander rechtsgebied en verder door de geringe ijver van de politionele autoriteiten van deze heerlijkheid om de landlopers en vagebonden op te zoeken en te vangen, een waar eldorado voor allerlei geboefte’.

De Meijelsen hebben het moeilijk genoeg om midden in de moerassige Peel te overleven met de schrale opbrengst van de grond, waarop ze aardappels, klaver, boekweit en rogge verbouwen, maar kunnen begrip opbrengen voor de ellende van de zwervers. De klachten van de inwoners betreffen veel minder de overlast van die vreemdelingen dan de hoge kosten die ze moeten maken voor het onderhoud van paarden en soldaten uit legers waarom ze niet gevraagd hebben. De vreemdelingen houden ze wel te vriend door aan hen tegen alle regels in bier te leveren en door ’s avonds brood en vlees voor de deur te leggen, zodat de zwervers niet inbreken of roven. Ze hebben er dan ook geen behoefte aan in 1737 en 1750 mee te helpen aan de Generale Jacht op mensen, die door bestuurders van de Meijerij van ’s-Hertogenbosch en die van het Oostenrijks Overkwartier van Gelder afgeschilderd worden als brandstichters, inbrekers en ander gespuis. Alleen in 1753 komen ze in actie, als de wrede bendeleider Ariken (Aartje) van Turnhout naar hun mening te ver is gegaan. Pastoor Peter van Straelen gaat dan volgens de overgeleverde verhalen voorop bij het dorpsgericht tegen deze roverhoofdman.

“Attestatio Miraculi” schrijft pastoor Peter
van Straelen in 1757; getuigenis van een
wonder.

In die parochie met armoedige omstandigheden is Peter van Straelen een zeer gewaardeerde pastoor. Hij wordt door de Bisschop in 1758 zelfs tot Landdeken van Weert benoemd. Maar daarvoor, in 1747, krijgt hij in Meijel te maken met een bijna onvoorstelbaar verdriet onder de bevolking, waarvan in de schepenbankboeken overigens geen melding wordt gemaakt.

In de bijna 100 huizen en boerderijen wonen dan uitgaande van het aantal van 425 communicanten in 1755, ruim 500 Meijelsen. In september 1747 moet de pastoor wel erg veel namen van overledenen noteren. Een in het latijn geschreven tekst uit het archief van kapel de parochie van O.L. Vrouwe van Zeven Smarten in Panningen maakt duidelijk welke ellende er dan over Meijel komt, een afschuwelijke buikloop of dysenterie.
Met deze gevreesde epidemie, ook wel ‘Roode Loop’ genoemd, wisten de geneesheren zich in 1747 geen raad. Niet alleen Meijel heeft er dan mee te maken, maar ook Zwolle en grote delen van Gelderland. Vanwege de ziekte worden er in september en oktober van dat jaar vanuit negentien parochies bedevaarten gehouden naar St. Lucia in Rolduc. Tussen begin september en 5 oktober 1747 sterven in Meijel 73 mensen, zowel kinderen als volwassenen, vaak twee of drie uit een gezin, zoals uit het overlijdensregister blijkt. Ongeveer 15 procent van de inwoners. Als gewone geneesmiddelen niet helpen, stelt pastoor Van Straelen voor om in de Kapel te Panningen een kaars te offeren. Op 6 oktober wordt, waarschijnlijk na een processie zoals die vaker naar Panningen gehouden zijn, de kaars voor de heilige Maria geofferd. Hoewel er na 6 oktober in 1747 nog twaalf mensen sterven, wat veel is in verhouding met andere jaren, gelooft de pastoor, dat de Meijelsen gered zijn door bijzondere bescherming van de Maagd Maria Troosteres der Bedrukten en legt, met bevestigende getuigenis van kapelaan Mannay, het wonderlijke gebeuren uit 1747 vast.
“In het jaar 1747 woedde begin september onder de bewoners van de parochie te Meijel een afschuwelijke buikloop. Het was zo erg, dat in september en de eerste vijf dagen van oktober 73 mensen, volwassenen en kinderen, na vruchteloos aanwenden van natuurlijke geneesmiddelen, werden weggesleept naar het graf. Geheel terneergeslagen door deze verwoesting spoorde ik mijn parochianen, zoveel ik kon, aan om de vertoornde God door godvruchtige werken gunstig te stemmen en tegelijk ook zonder ophouden de patroonheiligen van onze kerk om hulp te vragen, maar in het bijzonder de hulp en de voorspraak van Maria, de Moeder Gods, af te smeken. Voor dat doel richtte ik vanaf de preekstoel een aansporing tot het volk, waarop de bewoners eensgezind met milde hand bijdroegen om in de kapel van Helden een kaars te offeren aan de H. Maagd Maria. Toen wij de kaars geofferd hadden en verzuchtingen en smeekgebeden van het volk ten hemel hadden gezonden tot God en zijn allerbarmhartigste Moedermaagd Maria, Koningin van de Rozenkrans, onder wier bescherming wij leven, toen verkregen wij een zeer grote vertroosting. Nadat eenmaal de kaars geofferd was, wat geschiedde op de zesde oktober in de Heldense kapel van de Maagd Maria, hield de wrede buikloop grotendeels op. Er zijn daarna nog slechts twaalf mensen gestorven, alhoewel deze ramp tot in de maand december geduurd heeft. Bijgevolg geloof ik het ophouden van deze beruchte buikloop te mogen toeschrijven aan de buitengewone bescherming van de H. Maagd Maria, Troosteres der Bedrukten.

In alle eerlijkheid onderteken ik, P. van Straelen, Pastoor te Meijel. pr.’
‘Dat het bovenstaande aldus heeft plaats gehad getuig ik op 11 mei 1757.
Mannaij, pr. te Meijel.”

Overgenomen uit het boek; ” meer dan turf” geschreven door Henk Willems.

Tom van Bakel.


Vier kinderen omgekomen door landmijn.

Wim van den Beuken geboren 22 oktober 1939 overleden 9 oktober 1944.
Ben van den Beuken geboren 3 april 1941 overleden 9 oktober 1944.
Drika Vestjens geboren 7 maart 1928 overleden 9 oktober 1944.
Annie Sonnemans geboren 3 september 1940 gestorven 9 oktober 1944.

Vier kinderen werden op de vlucht slachtoffer van oorlogsgeweld. Hoe erg was het dan in Meijel of in Neerkant?

Dat is nu in Nederland niet meer voor te stellen. Maar iedereen kent de televisiebeelden uit landen waar dagelijks volop gevechten geleverd worden, gebouwen verwoest worden, mensen dood geschoten worden en ook kinderen op de vlucht moeten slaan. Het was in oktober-november 1944 in Meijel niet veel beter.

In 1944 heel ontspannen in de natuur: Toos, Ben, en Wim op de rug van vader Wiel van den Beuken.

 

 

 

Op 7 oktober werd de al opgeblazen kerk nog eens flink beschoten, werd de meisjesschool geplunderd, werd een artillerievuur op Meijel losgelaten, werden boeren van de Vieruitersten en het Platveld uit hun boerderijen verdreven. De in het nauw gedreven Duitsers wisten van geen ophouden. De geallieerde bevrijders wilden de Meijelsen wel helpen maar stonden met maar 43 man tegenover een overmacht. Ook de volgende dagen schoten de granaten door de lucht, kwam er een Duits spervuur van mortier- en antitankwapens uit de Meijelse bossen, lagen Startebos en Astenseweg onder vuur. Vooral het Startebos werd steeds meer een plek van waaruit de Duitsers hun operaties uitvoerden.
Meijel was kortom een druk en gevaarlijk frontgebied.
Het is daarom logisch dat de Meijelse mensen begin oktober 1944 het dorp ontvluchtten naar de bevrijde dorpen in Brabant. Daar hoorde Neerkant toen nog niet bij, want daar woedde de oorlog nog even hevig als in Meijel.
Vanuit de buurt Molenstraat – Molenbaan, dicht bij het Startebos, vertrokken de families Sonnemans en Van der Beuken op een paardenkar naar Asten over de gewone omweg via Neerkant. Bij die families waren verscheidene kinderen, toen het in Neerkant mis ging.

Wim en Ben van den Beuken, zoontjes van Wiel van den Beuken en Tina (Catharina Hubertina) Sonnemans. Zij woonden in de oude sluiswachterswoning tussen Helenaveen, Noordervaart en Kanaal van Deurne, waar je kon komen over de na de oorlog niet herstelde brug (nu bij camping Frerichsoord). Na de verwoesting van de woning verhuisde het gezin eind 1944 vanaf dat adres (Katsberg C.84) naar de Molenstraat.

Moeder van den Beuken – Sonnemans, tante van Annie Sonnemans, heeft het verlies van haar kinderen Wim en Ben moeilijk kunnen verwerken. Ze gaf dat aan met de woorden: “Wij zijn in een dag grijs geworden.”

  • 1943 Aandoenlijke foto van de kinderen Sonnemans. V.l.n.r. Tjeu, Mien, Nel, Wim, Jan en rechts vooraan zittend Annie, die de oorlog niet zou overleven.

Een herdenking bijwonen of een bezoek brengen aan het Oorlogs – Vredes monument was voor haar te zwaar. Ze verloor echtgenoot Willem in 1963 en overleed als 90-jarige op 27 november 2003.
Ze vertelde wel vaker hoe de lichamen van Wim en Ben helemaal gaaf waren, ze waren gedood door de enorme luchtdruk.
Drika Vestjens, dochter van Hendrik Hubertus Vestjens en Jacoba Houwen, die op de Molenstraat B.83 woonden. Moeder Jacoba overleed op jonge leeftijd. Ze was bij haar overlijden op 12 juli 1937 pas 42 jaar oud. De kinderen namen haar werk in huis en op de boerderij over en hadden daardoor weinig kans voor uitgaan of doorleren. Drika was een wat teruggetrokken meisje, maar hielp volop met poetsen, koken en sokken stoppen. Zus Miet herinnert zich de dag van het ongeluk nog heel goed, maar ze vraagt zich bij sommige dingen wel af “waarom?”  Bijvoorbeeld: waarom ging Drika mee met de kar waarop de kinderen Van den Beuken en Annie Sonnemans zaten?
Vader Vestjes ging diezelfde dag immers ook met paard en kar op weg naar Asten-Ommel. Hij reed over de weg van Meijel naar Asten, nu is dat een ventweg. Omdat die kar vol was moesten Miet en haar zus met de fiets. Zij mocht met de fiets van buurtgenoot Op het veld. Misschien wilde Drika bij Annie Sonnemans blijven, ze speelden als buurtgenootjes vaak samen?
Misschien was er op de kar die via Neerkant reed nog plaats over?
  Rond 1933: moeder Jacoba Vestjens-Houwen voor de boerderij aan de Molenstraat met v.l.n.r. Drika, Piet, Miet en An.

Na het ongeluk werd Drika “tijdelijk” op de Neerkant begraven, maar ze is nooit herbegraven in Meijel.
Annie Sonnemans, dochter van Joseph Hubertus Sonnemans en Maria Josephina Manders, die op de Molenstraat B.82 woonden. Nu hoort die woning bij de Molenbaan. Toen het ongeluk op 9 oktober 1944 gebeurde, was Annie nog maar een klein meisje van vier jaar.

Op de weg naar Asten ging het ter hoogte van Neerkant mis.
De kar waar de vier kinderen met de familieleden op zaten, reed de Heitrak op, in de bocht bij Pietje Franssen, bijna waar nu de tennisbanen zijn. Daar liep de kar op een landmijn en vloog in de lucht.
Bij dat ongeluk verloor niet alleen de kleine Annie het leven, maar daar kwamen ook haar neefjes Wim en Ben van der Beuken om het leven.
Vier doden in één keer!
Wat een klap was dat voor Meijel.
Eén klein zusje kwam door de kracht van de luchtdruk in een boom terecht en bleef daar hangen. Wonderwel mankeerde zij vrijwel niets.
Maar oma Willemien Sonnemans-Houackers werd ook gewond. Zij zou een paar maanden later sterven.

Overgenomen uit het boek; Meijel 1940-1945 slachtoffers en oorlogskinderen.

Tom van Bakel.


 In een rubriek als Medelohuukske waarin het gaat over het Meijel uit het verleden mag, zo meen ik, een stukje in het Meijelse dialect niet ontbreken.

Het volgende is overgenomen uit het boek “ zwemme bij Eevert” van Herman Crompvoets. Dit boek is uitgegeven in 2015 en bevat 33 columns zoals Herman die schreef in de carnavalskrant van de Kieveloet.   

Zwèmme bij Eévert
Ieën van de sjòn, mee van de sjònste, herinneringe èn ’t Méél van de jòrre vieftig is vur mij ’t zwèmme bij Eévert. Tiggewórrig moette ge kanne zwèmme in troopiese, subtroopiese zwèmbaade of bubbelpoels, övverdékt èn mi allerlei trékpleisters d’rbij èn moettege enne hoeëp zwèmlèsse haale um te kanne zwèmme. Mèr vruugger, in de jòrre vieftig, waar dè d’r allemòl nòg nie. En ik wit nie, of wij toen zòveul miste. Ik kan d’r nie goe övver òrdélle, umdè ik nie zònne zwèmmer bén in dè chloorwatter van dizzen titj, mèr vur min gevuul waar ’t zwèmme toen nòg wa ván, mí èn ín de natuur.
Vlak nò d’n òrlòg waar ’t nòg gevòrlek um in ’t Deurnes kenaal te zwèmme.
Tenminste, wij moochte nie van oons tusj dòr gòn zwèmme. ’t Haa bij èn tusse de kanaale in 1944 nut gedao tusse de Móffe èn de Engelse èn Amerikaanse sòldaote.

Bij Eévert

En d’r lag nòg van allerlei gerei zòas minje èn granaate. D’r waare tòch wal sómmige waaghalze die zich nörges wa van èntrókke èn die al in de jòrre vértig bij Eévert ginge zwèmme. Mèr in de jòrre vieftig woor ’t dòr hél wa drukker. ’t Waar dòr de énnige plak wòrrege in Méél koost gòn zwèmme.
Ge hat nòg wal ’n plèkske óp de Katsbèrg èn ’n oope stukske bij Kaspar óp de Vrutjerste èn vur óns gevuul hél witj wég al bijnao óp de Nirkant nòg ’n gaat bij Driek van Bètjeshas. Mèr bij Eévert, dè waar ’t tòch.

Die oope plèk, wòr ’t kenaal wa bréjjer waar gemakt èn ’t riet gekapt, waare wisselkómme in ’t Deurnes kenaal. Hier kooste de tèùrfsjeep mekaar passeere, vruugger, toen d’r in ’t Zinkske èn in de Deurnese Pieël nòg veul tèùrf gegraave woor èn de sjeep de tèùrf nòr de Noordervaart broochte. Dik woore die sjeep nòg getrókke dör enne maanskéérel èn ‘n laang touw, dè waar enne linjdriever òf teugelder. Die liep dan övver ’t péétje, ’t jaagpa, nééve ’t kenaal hòg óp de kenaaldiek èn dan mèr trékke. Dè waar zwaor wèèrek!

Mèr goe, óp enne sjònne vekansiedag òf wèèreme woenzigmiddig ginge ge dan mi wa jónges utj de buurt nòr ’t kenaal. D’r waare gén kléthökskes. Ge geengt gewoon aachter enne struuk ouw utjtrékke, de zwèmbóks èn èn ’t kenaal in. Kooste ge nie zwèmme dan bleeve ge veuraan wa hange, wa mi ’t zand knòjje èn speule èn prebeere enne slag te maake mitte buuk övver ’t zand. Ge moocht nie te witj in ’t kenaal, want dan kooste ge verzoeppe. Midden in ’t kenaal kwaame de èchte zwèmmers: dè waare die joong die al övver ’t kenaal kooste. Toentertitj waar dè ’t zwèmbrevèt: övver ’t kenaal kanne zwèmme. Die woore mi sjeloerse oeëge naogekeeke dör de kruuppers in ’t zand. En de andere kant van ’t kenaal waar ’t gans anders dan èn de kant bij Eévert. Geheimzinnig gebied, wòrrege anders nie moocht kómme zónder wandelvergunning. De sjeloerse blikke van de zandkruuppers woore nòg gròtter as de zwèmmer èn de andere kant, eigelek tusse de kenaale in, ènstalte ging maake um te duukke. Dè waar ’t tòppunt van sènsaasie. Ge hatter bij die dè gewèldig kooste, dè duukke. De duukplank waar enne groeëte staapel zooje of russe, steevig èngestampt, behuurlek hòg èn ’n stuk in ’t kenaal stéékend. De duukker naam goe de titj, keek nòg ’s nòr de poerkers in ’t zand, òf die ók wal nòr zinne duuk keeke èn naam dan enne groeëte ènloeëp. Mi enne witje boog vlóg ie dör de leucht èn kwaam midde tusse de kruuppers umhòg, nòdètjie nòg ’n stukske ónder watter haa gezwómme. Dè waar ’t héllemòl!

Um die beginnelinge nòg mieër de oeëge utj de kóp te stééke, ging de duukker zich klaor maake um nòr de kazzemat te zwèmme. “Hij gé nòr de kazzemat”, woor d’r geroepe. En de hèld ging mi enne soeppele slag nòr de övverbliefsele van d’n òrlòg, stróntsjeloers naogekeeke dör de jónges die nòg nie éns ’t kenaal övver kooste, lòt stao nòr de kazzemat kooste zwèmme. Héllemòl nie mèr te begrieppe waare de zwèmmers die nòr de Hèldese breug zwómme: zij waare nie van ónze titj. Zij waare nò hónderd mééter héllemòl utj ónze oeëge verdweene as mènse van ’n andere wérrelt. Mesjien ginge ze wal nòr Kaspar! Want dòr zwómme de dörskes!

Toen ók de dörskes, laang nò de jónges, in ’t kenaal moochte zwèmme, kreege die ’n aparte plak in ’t kenaal èngewizze: bij Kaspar. Gemèèngd zwèmme waar in de jòrre vieftig  ten strèngste verbójje. “De jónges bij Eévert, de dörskes bij Kaspar”. ’t Geménjtjebestuur haa dè zoeë veròrdònneerd èn de pliessies Van de Eijnde èn Jongen mooste sjèèrep d’róp létte, dètter èn dizze reegel nie getòrnd woor. Mèr ik héb huure zégge, dèsse tòch ménnige jóng bij Kaspar utj ’t kenaal hébbe gevist, ók al haajie zinne kóp verbèùrege ónder ’n vur de dörskes verpleechte badmuts. Latter ginge slimmerike die gemèèngd wòn zwèmme nòr de plak bij Driek van Bètjeshas. Dòrvur waar dör ’t geménjtjebestuur génne reegel ópgestééld. En latterhin is dè gesjééje zwèmme héllemòl ’n fars gewórre, zòas géllie goe weete.

As ik nou óp enne sjònne zómmerse dag nééve ’t kenaal fiets, moet ik ieddere kieër wér opnééj dinke èn dè zwèmme bij Eévert in de jòrre vieftig. En wér zie ik de duukker zinne ènloeëp neeme, zie ‘m as enne garrepaap dör de leucht sjiete um as enne jónge gòd mi enne krans van plómpeblaar um zinne kóp utj ’t watter umhòg te kómme. Wa enne titj!

Herman van de méster

Bovenstaande column dateert van voor de publicatie van ’t Nééj Mééls Woordeboe:k van november 2019. De spelling wijkt iets af. Voor de uitspraak van de klinkers met diakritische tekens erop wordt verwezen naar de spellingvoorschriften van dat woordenboek.

Tom van Bakel.


 In het archief van Medelo vond een van de leden onlangs een omslag met stukjes geschreven door  mevrouw Muysenberg Peeters. Hieronder volgt een bloemlezing.

De familie Peeters omstreeks 1912. Rechts op de foto Petronella Peeters de latere mevrouw Muysenberg.

Ze werd geboren in 1901 en overleed in 1984 en woonde van 1973 tot 1984 in het “ bejaardenoord”  St. Jozef in Meijel. De meeste stukjes schreef ze tijdens haar verblijf daar.

Werkelozen Bollebozen
’t Is weer zover, de ene helft van Nederland probeert de andere helft te testen als zij die eksamineert.
Want nergens in Europa weegt de wetenschap zo zwaar.
Zonder diploma’s maak je het niet, dat is triest, maar werkelijk  waar.

De tijd zal echter leren, dat een land vol professoren
straks finaal onbestuurbaar is, knoop dat maar in uw oren.

Waar vind je nog een timmerman, een loodgieter, een smid,
een echte goede metselaar iemand die zaait en spit?

Wie wordt er nog boer en fokt er vee? Wie werkt nog op het land?
Wie heeft van echte balkenbrei of van boocheskook verstand?

Wie maakt nog fluitkaas in een doek, wie kan nog sokken stoppen?
’t Is allemaal verleden tijd, zijn wij ons niet aan het foppen?

Straks is een ieder ingenieur of meester in het recht
heeft iedereen plechtig zijn ambts-eed afgelegd.

Heeft elk gezin een dokter of minister, een psycholoog,
’t intelligentie- quotiënt stijgt zo hoog.

Straks wonen in Nederland alleen maar bollebozen
gerubriceerd naar rang en stand in het leger der werkelozen.

Peelland, sagenland.
Soms in het duister van een woeste nacht.
Als van den einder ongebonden vlagen.
De zwarte wolken langs den hemel jagen.
Klinkt uit het veen een vreemde kille klacht.

Het is het steunen van den honderdman.
Die eens in het grauwe peelmoer is verzonken.
Met al den roem hem eens door Mars geschonken.
En die zijn rust nog steeds niet vinden kan.

Niet het blanke zwaard maar modder stak hem neer.
Die niemand schrik of lafheid had verweten.
En die in den strijd zich zelf steeds had vergeten.

Ver van den slag en zonder krijgsman.
Hier liep zijn weg ten einde in den dood.
En jaren wachtten ginder vrouwen en slaven.
Dat hij zou wederkeren roem gekroond en groot.

Nu zoekt zijn geest die helm uit goud gesmeed.
Waar onder hij zijn schoonste dag mocht dromen.
Maar ach ook die heeft het noodlot hem ontnomen.
Ja bitter was zij einde wel, en wreed.

De twee sneeuwvlokjes.
Het sneeuwde.
Twee vlokken vielen langzaam naast elkaar naar de aarde. Ze vielen eigenlijk al een heel poosje naast elkaar toen ze elkaar opmerkten. “Ook op weg naar de aarde?” vroeg het ene sneeuwvlokje. “Uiteraard” zei de andere. Het klonk een beetje kort maar zo was het niet bedoeld, want ook de tweede vlok was blij te worden aangesproken tijdens die lange tuimeldans naar omlaag. Hoe dichter de zwerm sneeuwvlokken is  hoe eenzamer de vlokken kunnen zijn. “Mag ik een beetje bij je in de buurt blijven?” vroeg de eerste vlok. “O ja dat mag” zei de tweede vlok gretig. En ze begonnen een goed gesprek en dat maakte de reis wat behaaglijker.
Mijlen en mijlen dansten ze naast elkaar naar de verre lage aarde toe. Eindelijk was het zover. Ze hadden elkaar van alles en nog wat verteld. “Nog een meter of dertig“ zei de eerste vlok. “Ja we zijn er zo” zei de tweede. “Jammer eigenlijk, het was zo gezellig.”
“Nog tien meter” zei de eerste weer, nog zes, nog vier. “Hou je, het was een fijne reis.”
Floep daar lagen ze en ze werden onmiddellijk deel van het dikke witte sneeuwtapijt dat er al lag. Nu konden ze niets meer zeggen. Ze waren geen afzonderlijke vlok meer en bleven liggen op de aarde. Dat duurde zo een poosje. Toen  dooide het, de sneeuw verwaterde en stroomde in lange stromen naar de zee, daar verdampte het water en de damp steeg weer op naar de hemelen werd weer water en het water werd weer sneeuw.
Ik weet het klinkt een beetje onwaarschijnlijk, maar bij de eerste sneeuwbuien kwamen ze elkaar weer tegen, wederom tuimelend in dezelfde witte dans. “Hé heb ik jou eerder gezien?” vroeg de ene vlok. “Ja” zei de andere “en wat goed je weer te zien. Val je mee?”
En ze sneeuwden lang en gelukkig.

Wist U,
– Dat Nederland een veestapel heeft van ongeveer 7 miljoen varkens, 4 miljoen koeien en 50 miljoen kippen.
– Dat deze veestapel per jaar ca. 50 miljoen ton mest produceert.
– Dat dit mest over de akkers wordt uitgespreid.
– Dat dit enorme bodemverontreiniging tot gevolg heeft.
– Dat bodem en grondwater verontreinigt worden met nitraten, fosfaten, koper en metalen.
– Dat dit grote problemen oplevert voor de drinkwaterwinning.
– Dat de grootste concentratie van bio-industrieën voorkomt op de Veluwe, in de achterhoek en in Brabant.
– Dat in deze gebieden de bodemverontreiniging snel hoog dreigt te worden.
– Dat maatregelen op korte termijn noodzakelijk geacht worden.
– Dat de z.g. mestbanken niet afdoende zijn voor een beter verdeling van het mest over het gehele land.
– Dat transport van het mest van veeteeltgebieden naar akkerbouw- gebieden veel te duur is.
– Dat eenmaal verontreinigde grond niet gezuiverd kan worden.
– Dat overheidsmaatregelen noodzakelijk zijn om straks niet opgezadeld te zitten met een onoplosbaar probleem.

Maria.
Misschien omdat je vrouw bent, Maria
voel ik me tot je aangetrokken.
Misschien omdat je zo mooi bent Maria
heb je bij mij een plaatsje in mijn hart.
Misschien omdat je weet wat liefde is, Maria
kan ik zo van je houden.
Misschien omdat je mijn pijn ervaren hebt, Maria
kan ik zo mijn eigen pijn dragen.
Misschien omdat je een kind had, Maria
kan ik mijn moederschap zo beleven.
Misschien omdat je een vriendin had, Maria
kan ik daardoor vriendschap uitdragen.
Maria jij bent een vrouw onder de vrouwen.
Voor mij een voorbeeld dat zo veel waarde heeft.
Ik ben trots dat ik een vrouw ben.
Bedankt dat ik door jou de liefde ken.

Een stukje uit haar dagboek waarvan gedeeltes in de omslag gevonden zijn.
6 December 1944. Wij zijn geëvacueerd in Vlierden op het erf van Dokter Wiersma, bewoond door familie Mennen v. Heugten, in twee kippenhokken, een als huisvesting en een op 10 m. als slaapplaats, met ons elven.
’t Was 20 minuten van Helmonds vliegveld, waar de Engelsen op en af vlogen en ook wel Duitsers een tegenstrijd aangingen. En zo ronkten zij steeds maar over onze kooien heen.
De kinderen dachten wel aan de heilige feestdag maar hadden geen hoop op Sinterklaas’ bezoek. ’s Avonds moesten wij met de kinderen vroeg naar bed, want alleen, dat ging niet voor de kinderen: geen licht en dan steeds die vliegers. ’s Morgens ook weer alleen samen uit de veren …. en jawel wat een verrassing; de Sint was geweest!
Onze weldoeners hadden de borden (het waren blikken borden van de zusters van Someren) op de noodtafels gezet en voor groot en klein een surprise, naar de leeftijd variërend; ’n boek, spelen, poppetjes en ons Mientje een emmertje, want zij liep altijd mee naar de weiden om de mukskes te melken, en vader een pak tabak en ikzelf, moeder, een groot stuk vlees voor de soep of in de braadpan en enkele eitjes voor mijn persoon zelf. Ook speculaas en taaitaai ontbraken niet; dit alles bijeengebracht door de kinderen Mennen. Gelooft u dat wij bij al die oorlogszorgen toch een fijne Sinterklaas vierden? Dankbaar denken wij dan ook steeds terug aan de familie Mennen. Het leven ging door met al dat oorlogsgeweld.

Tom van Bakel.


Onze processies van weleer.

Er is mij gevraagd de herinneringen die ik nog heb aan de processies van vroeger op schrift te stellen. Ik doe dat bijzonder graag, met erg veel plezier.
Welnu: In mijn jonge jaren waren de processies gewoon belevenissen en hoogtepunten in het dorps- en parochieleven. Er werden er 7 gehouden; te weten: de Sint Marcusprocessie, de drie kruisprocessies, de grote sacramentsprocessie, de Onze Lieve Vrouw processie en de processie naar Ommel.
Over het lof met processie over het kerkhof of bij slecht weer door de kerk i.p.v. lof met rozenkrans, zal ik verder niet uitweiden.
De Sint Marcusprocessie en de processie van de kruisdagen trokken door de velden. Op Sint Marcusdag, 24 april, en op de kruisdagen, maandag, dinsdag en woensdag voor Hemelvaart, baden we voor “ de vruchten der aarde en alle andere openbare noodwendigheden”.
In die lange rij van mensen die zon en regen uit de hemel baden, gingen de misdienaars met het kruis voorop, de scholen gingen mee voorop, dan kwamen de “zengers” en de pastoor of de kapelaan, gevolgd door de vrouwen, en de mannen sloten de rij. Op enkele punten stopte de priester en zegende met kwast en wijwater velden en gewassen naar alle windstreken. De Sint Marcus- en een kruisprocessie gingen vanuit de kerk door de Dorpsstraat (nu Schoolstraat)  en de Hoek tot bij Pauwen Toon, daar trok men de Hagelkruisweg op en kwam langs het oude gemeentehuis en de jongensschool naar de kerk terug. De tweede kruisprocessie ging door de Dorpsstraat, tussen Verkooijen en Pliers’ Piet  baden we de Kurversweg op en keerden langs

Het Meijelse vaandel (vaan) van de broederschap van de Heilige Familie uit 1909

Friedjes Willem (Heufkesweg)  en de Kerkstraat terug. Bij de laatste processie hadden we de kortste route; we trokken dan bij  Toone Louis en keerden langs de boterfabriek, de Hoek (nu Steegstraat) en Schoolstraat terug.
Wat hebben we als kind al genoten van deze mooie ochtendwandelingen. Vaker was ‘t ’s morgens koud nog met wind en regen. Bij Pastoor Verstappen moest het altijd doorgaan en ook onze en andere ouders van die tijd vonden dat iedereen, die in staat was de bedetocht te maken, er bij moest zijn.
We waren immers zo afhankelijk van weer, van zon en regen en bovenal van God’s zegen. Als we dan thuis kwamen, smaakte de spekpannenkoek, die ook wel eens zwaar op de maag lag bijzonder goed. De grote of Sacramentsprocessie was iets prachtigs, luisterrijk vooral. ’s Zondags tevoren werd op de preekstoel bekend gemaakt hoe “de beminde gelovigen” zich achter de vanen moesten opstellen.

Over vanen gesproken;  voorop ging de mooiste en grootste, een prachtige witte. Ze is jaren gedragen door Lei van Heugten

Dan waren er een rode fluwelen van de Heilige Familie en een blauwe van de Congregatie en niet te vergeten de “drapeau” van de fanfare, dat was echter geen vaan. Aan de processievanen hing aan weerszijde een kwast, die door twee bruidjes met witte handschoenen en een wit zakdoekje werden vastgehouden. Achter de eerste vaan gingen de schoolkinderen; eerst de jongens dan de meisjes. De tweede, de vaan van de Congregatie, ging vooraf aan haar leden en de overige vrouwen. Dan volgde de koster met zangers, daarna kwamen de bruidjes met hun strooisel. We moesten zuinig zijn met onze gesnipperde papier, dat we al weken tevoren van ieder gekleurd en zilverpapiertje dat we vonden, geknipt hadden. We droegen witte jurkjes, witte kousjes en schoenen.

Na de processie was dat vaker niet zo wit meer; de wegen immers waren slecht en als we bij de kappelletjes op onze knieën hadden gezeten, plakten de teer en kiezel aan onze witte kousen. Moeder gaf ons dan ook een slechte zakdoek mee om er onder te leggen. Na de bruidjes volgden de misdienaars met schellen, wierookvat en scheepje. Het middelpunt was uiteraard ’t Ons Heer in de schitterende monstrans, gedragen door de pastoor in volornaat  superplie, koorkap, velum onder de hemel, een  prachtig baldakijn. Deze hemel werd gedragen door plaatsvervangers van de kerkmeesters, want deze moesten de flambouwen dragen.

Processie naar Ommel

Onmiddellijk hierachter schreed de burgemeester met ambtsketen en wethouders. Aan beide kanten van Ons Heer liepen de leden van de schutterijen in hun uniformen. De drapeau van de fanfare werd gedragen door Hein Geris. Wat maakte de trage en gedragen processiemuziek een diepe indruk op ons. Directeur Vaes gaf het moment aan als de fanfare moest inzetten. De voorbidders stopten dan met hun  weesgegroetjes van de rozenkrans en wij luisterden, zoals we ook luisterden naar de meerstemmige en plechtige gezangen van ons koor, dat na de zegen inzette als de processie zoetjes aan weer begon te trekken. Piet van Pauwen Toon droeg het vaan van de H. Familie en de leden, met rood lint en medaille,  trokken mee. Het sluitstuk van de processie werd gevormd door de “overige mannen”, meebiddend, rozenkrans en pet in de hand. De grote processie trok door de Dorpsstraat tot bij Joste Jan, van daar naar Nullekes Pietje, dan door de Kalishoek over de Heuvel naar het Kappelletje bij den Boer en door de Molenstraat tot bij Litjes. Bij elke halte was prachtig gesierd, er werd gezongen en de zegen gegeven met het Allerheiligste. Bij de rustaltaren kwamen ook de oude mensen samen en de moeders met de kleintjes, die niet konden meetrekken. Zó was men toen gesteld op de zegen van God. Langs de hele route was door de mensen prachtig gesierd met bloemen en kaarsen langs de beelden. Men sierde achter de ruiten, in open raam en zelfs in de deuren. De huizen en erven waren op zijn mooist gemaakt, opnieuw geverfd, dorpels geschuurd en alles was opgeharkt ter ere van Ons Heer en de mensen die voorbij trokken en die na afloop precies wisten waar het ‘t mooist en het beste was. Ik kan me nog herinneren dat mevrouw Genang (zaliger), ze woonde in de Molenstraat, een eiken tafeltje buiten had staan met het beeld van het H. Hart daarop, vinger omhoog en de andere vinger naar het hart wijzend. Ze had een prachtig zelf geborduurd kleedje liggen met de tekst “Heilig Hart van Jezus bidt voor ons”. Ik heb me laten vertellen dat pastoor Verstappen één keer onder de hemel uit is gekomen met Ons Heer. Hij had namelijk een “stelletje” dat op fietstocht was, met blote armen en benen langs de weg gezien  en sprak met luide stem; “Onze Lieve Heerke, dit zijn er geen van Meijel!” Nee in Meijel kon zo iets niet, zeker niet in die tijd.

Sacramentsprocessie Molenstraat in Meijel ca. 1955

Ik vergat nog te vertellen, dat tussen de lange rij mensen de voorbidders liepen, Nullekes Pietje, Vissers Pier, Beks, Kate-Nolle-Pier, Sanders Mertieniske, Bèr van Rijt, Timmers Naard en Heines’ Keub.  Als je nog eens aan al deze dingen terugdenkt wordt het een beetje wee om het hart, zoveel lieve, eenvoudige dingen! En dan de algemene leiding; die had Pier de Veldwachter en die was die dag gekleed hoor en droeg zelfs zijn witte handschoenen en salueerde met één hand aan de cape en één hand aan de sabel!
De Rijks mocht ook nog een beetje helpen om op een kruispunt een enkele auto tegen te houden, aan de zwier van Pier kon hij echter niet tippen! Wat was het toch een schoon feest, een feest van kerk en alle mensen. De tijden zijn echt veranderd en de mensen ook!

Geschreven door Mevr. J. Rooijakkers-Brummans op 10 mei 1980.
Enigszins ingekort. Tom van Bakel.


De Tachtigjarige Oorlog van Meijel

Terwijl de Nederlanden van 1568 tot 1648 hun tachtigjarige vrijheidsoorlog strijden, worstelt de gemeenschap Meijel zich in diezelfde jaren door twee oorlogen die samen ook een periode van tachtig jaar bestrijken. Die oorlog in de Peel is nauwelijks bekend, hoewel dezelfde persoon aan het begin van zowel de Nederlandse als van de Meijelse strijd staat, namelijk Filips de Montmorency, Graaf van Horn. De Meijelse kerk en pastoor blijven in de roerige tijden niet ongemoeid.

Op 8 juni 1569 nemen inwoners van graafschap Horn, afkomstig uit de dorpen Roggel, Heythuysen en Haelen, twintig Meijelse beesten in beslag, achttien koeien en twee paarden. De dieren zijn van Goert Heijnen, Lenart en Michel Gielen, Dionijs Klompenmeecker en andere Meijelsen. Het lijkt een gewone pesterij tussen een paar dorpen, waarbij grens en grond in geding zijn. Zo’n plagerijen komen in de geschiedenis bij veel dorpen en gemeenten voor.

Maar in 1569 wordt al snel duidelijk dat de redenen voor het panden van de dieren niet gezocht moet worden bij de inwoners van de dorpen in het Graafschap Horn, maar in de botsing tussen Gothard van Millendonk, heer van Meijel, en Anna van Egmond, gravin van Horn.

Op 1 oktober 1569 heeft Wilhem Heijselmans, pastoor te Meijel, met Mathijs van den Laer, Scholtis van Horn, en verscheidene notarissen de Meijelsen bijeen geroepen in het huis van Leonarten Coemans te Meijel, herberg Den Swaen aan de Molenstraat. Daar wordt getracht de Meijelsen schadeloos te stellen in opdracht van de landvrouwe-gravin van Horn en Daniel van Nunhem, drost van Horn.

De Meijelsen aanvaarden het aanbod van 43 gulden in Brabantse waarde niet, omdat ze menen dat de dieren wel 40 goudguldens waard zijn. Gravin Anna van Egmond lijkt haar onderdanen tot restitutie te dwingen, maar in mandaat en oproep van 12 april 1572, als de processen in verband met de voorvallen uit 1569 nog bezig zijn en er nieuwe invallen vanuit het graafschap Horn hebben plaatsgevonden, wordt steeds meer duidelijk, dat de inwoners van het graafschap handelen in opdracht van gravin Anna

Op 2 september 1574 schrijft Johan Brenglin, de advocaat-gevolmachtigde van gravin Anna nog wel, dat Gothard van Millendonk verzonnen heeft, dat de inwoners van het graafschap in opdracht van de gravin handelen. De processtukken ademen echter voortdurend een strijd om de macht over graafschap Horn, eerst tussen Gothard heer van Meijel en Anna gravin van Horn, en in 1596 tussen Herman-Diederik van Millendonk als heer van Meijel en prins-bisschop Ernst van Luik als bezitter van graafschap Horn.

Al vanaf 1531 wordt er getwist en processen gevoerd over het eigendomsrecht en vruchtgebruik van het Graafschap. Daarbij speelt ook een rol dat één van de vruchtgebruikers Filips de Montmorency trouwt met de protestante Walburga van Nieuwenaar.

De kaart van Meijel die vanaf 1597 in grensprocessen is gebruikt. De kaart geeft een duidelijk beeld van het Veen rond het dorp, de heuveltjes met namen die als grenspunten dienst deden, de schiet-boom op de Donk, het Hagelkruis, een kapel op een kruispunt, de gerechtsplaats op Luttel Meijel, de banmolen aan de Molenstraat, de gedetailleerde afstandsmaten en de kerken van de dorpen buiten de Peel. Aan de kerk van Helden is te zien dat er een brand is geweest. Centraal in de ring staat de kerk van Meijel.  

Meijel zit na 1568 wel met problemen, die samenhangen met de hiervoor ge- noemde processen. Een greep uit de voorvallen. Op Sint Bartholomeus- avond, 23 augustus 1571, vallen de inwoners van het graafschap Horn Meijel binnen en nemen met groot geweld 97 stuks rundvee mee, nadat ze via de Crommendijck (nu Roggelsedijk) naar Meijel gekomen zijn.

In 1572 wordt het nog erger. Op 28 februari worden wapens gebruikt, geweren, vuurroeren, spiesen en zwaarden. Met trommen en pijpen wordt dan groot geluid gemaakt, terwijl de aanvallers roepen ‘Sla dood, sla dood’.  In mei wordt herder Lene Goetgens meer dood dan levend met de 125 schapen die hij hoedt, naar Heythuysen gesleurd.

In de voormiddag van 1 juli 1572 komen duizend man uit Roggel, Heythuysen, Nunhem, Buggenum, Horn en Beegden met wapens naar Meijel. Ze mishandelen mannen, zwangere en niet zwangere vrouwen en kinderen, ze roven voedsel om op te eten of te vernietigen, ze slaan ramen en huisraad kapot, ze schudden de veren uit de bedden en stelen geld en waardevolle spullen. Twee maanden daarna, op 28 augustus 1572, vertrekken op aandrang van gravin Anna van Egmond, Franse ruiters om zeven uur ’s morgens naar Meijel. Daar beginnen zij om tien uur met het in brand steken of vernielen van veel huizen. Ook de deur en andere delen van de kerk worden in brand gestoken.

Na de dood van gravin Anna van Egmond in 1574 wordt het rustiger, volgt een minnelijke schikking en lopen de processen nog even door.

In 1595 echter gaat de heer van Meijel, Herman-Diederik van Millendonk, in proces met Ernst prins-bisschop van Luik, naar het heet om de oude Meijelse grenzen veilig te stellen.

En weer worden alle oude zaken uit de stoffige mappen gehaald en volgen invallen vanuit het graafschap Horn. De bekendste inval is die van dinsdag 22 september 1598, ’s morgens om zes uur. Gewapend met geweren en zwaarden, met hooivorken en ander tuig, vallen mannen uit het graafschap Horn Meijel binnen, vernielen deuren en ramen, doden hoenders en grijpen wat geplunderd kan worden, verwonden Meijelse mannen en vrouwen zwaar en nemen karren met turf mee.

Maar het ergste is, dat ze ziekten in Meijel achterlaten, want zij komen uit hun dorpen waar de pest en ‘abscheuliche kranckheit’ heersen. Tegen ziekte als vorm van geweld kan Meijel zich echt niet wapenen.

Tot 1800 wordt er door edelen die menen recht te hebben op het graafschap Horn, nog gevochten om het bezit ervan.

Overgenomen en ingekort uit het boek “meer dan turf” van Henk Willems.

Tom van Bakel.


Verhalen uit de Peel.

Meijel lag in oude tijden midden in de Peel aan de enige weg die tot ver in de 19de eeuw het hele jaar door begaanbaar was door de Peel, de via regia antiqua, de weg van Den Bosch naar Keulen.
Het is niet vreemd dat in een dergelijk moeilijk begaanbaar en eenzaam gebied er allerlei (vooral sombere) verhalen ontstonden, over heksen, aardmannekes, dolende zielen, de gloeiige, dode-legers, wolven, spoken, vuurmannen, boeven, die zich gemakkelijk in het moeras konden verstoppen, zieltjes van ongedoopte kinderen die als lichtjes over het water zweven op zoek naar iemand die hen wil dopen, enz.

Reuzen in de Peel.
In de Peel woonden heel vroeger reuzen. Die mochten van hun vader niet luieren. De oude reus zond zijn grote zonen naar het oosten om de Maas te gaan graven. Als ze ’s avonds naar de Peel terugkeerden, krabden zij op hun schoppen het zand van hun klompen. Zo ontstonden de zandheuvels.

(uit: A.F. van Beurden, De Limburgsche en Brabantse Peel, Sittard 1919, p. 14)

De Satan en zijn grootmoeder in de Peel.
Al sinds mensenheugenis woont de duivel in de Peel. In alle uithoeken zag men hem, omgeven door dwaallichtjes en lugubere heksen, over de zandruggen sluipen. Vaak ook veranderde hij zich in een groot hert met een breed vertakt gewei. Een vroege jager die zijn geweer dan aanlegde en met een welgemikt schot tussen de ogen raakte, zag tot zijn stomme verbazing het geheimzinnig beest rustig in de morgendampen wegwandelen. Deze Satan woonde met zijn grootmoeder in het diepe Soemeer, juist op de grens tussen Limburg en Brabant. Een keer per jaar waste de grootmoeder de vuile werkdaagse kleren van haar kleinzoon in dit water en daarom was dit zo intens zwart. Daarna hing zij die kledingstukken op een boomstronk te drogen en met de doordringende stank van gestookte schapenhoeven, gaf zij zo aan de kleren een frisse reuk.

(uit: Leo Janissen, De stem uit het vuur, volksverhalen uit het land van Weert, isbn 9062806082, uitg. Corrie Zelen, Maasbree, p.38)

Hoe de Peelboeren aan het roken raakten.
Vroeger gingen de boeren naar de hei om plaggen te steken. Het was erg vervelend om zo’n lang eind alleen te gaan en daarom baden ze, om de weg wat te korten, de rozenkrans. Op zekere dag kwam een boer de duivel tegen, die een eind hout in zijn mond had met een gat erin en daar kwam rook uit.
“Wat moet dat betekenen ?” vroeg de boer.
“O, als ik een heel eind weg moet, dan doe ik dat altijd, dan verveel ik me niet zo”.
En van toen af begonnen de boeren een pijp te roken en het bidden van de rozenkrans was gedaan.
(uit: Willem Capel, Meyl op Seven, vertellingen uit Peelland, Deurne, 1975, p.84)

De dolende ridder in de Peel
Er is niet veel meer  over van de uitgestrekte geheimzinnige Peel. Vroeger was het een vlak landschap, waarin de heidevelden werden afgewisseld door diepe donkere vennen en verraderlijke moerassen. In de immense stilte hoorde je alleen de schrille kreten van de kokmeeuwen en het eentonig zoemen van de muggen. Tussen de schaapskooien die zich aan de heideranden bevonden, zag men de hotsende boerenkarren met turf.
Eeuwen geleden was er eens een ridder van de Maaskant gekomen. Met zijn gouden sabel die schitterde in de zon en zijn gevolg was hij de dorpen aan de Peelrand doorgetrokken en plunderde alles wat hij tegenkwam. Maar de boeren grepen hun dorsvlegels en turfspaden en gingen de wreedaard te lijf. Het gevecht was zo hevig, dat de roofridder met zijn trawanten werden verdreven. Steeds verder dreef men de bende, tot deze op het laatst voor de Peel stond. Hoewel de meeste bandieten ter plekke werden afgemaakt, wist de roofridder met zijn schildknaap te ontsnappen. In het donker galoppeerden hun paarden regelrecht naar de verraderlijke Peelvlakte. Nooit is de ridder met zijn knecht aan de overkant gekomen. Met de geroofde schatten en de gouden sabel zijn ze naar de diepte gezonken. Sindsdien klinkt zijn klagen en jammeren door de stille Peel en een late reiziger die door medelijden bewogen, ter hulp snelde, was jammerlijk verloren.

En toen in 1910 in het Diepveen bij Deurne een peelwerker meende op de restanten van de dolende roofridder te stoten, had hij het toch niet zo heel ver mis. Het bleek een Romeins hoofdman, die hier zestien eeuwen geleden verzonken was; de helm met zilveren beslag en oorplaten, mantelspelden, een gouden spoor en verschillende munten die hij bij zich droeg, zijn nog te zien in het museum te Leiden. De Peelkanters zagen in deze vondst een bevestiging van de waarachtigheid van de volkse overlevering, die zich tot een sage verdicht had. Alleen de gouden sabel is nooit gevonden.
(Verteld door Pierre Snijers uit Nederweert).

(uit: Leo Janissen, De stem uit het vuur, volksverhalen uit het land van Weert, isbn 9062806082, uitg. Corrie Zelen, Maasbree, p.69-71)

Tom van Bakel.


Dikke Mie.

Dikke Mie was een kansloze zwerfster die als Anna Marie Mommaerts geboren werd in Lummen, België  op 26 februari 1711.
Op 7 juni 1755 werd ze in Meijel begraven als Maria Mombers nadat ze dood gevonden was in de schob van Nicolaas Martens op de Donk ter hoogte van waar nu het voetpad naar de visvijver loopt.
Dikke Mie was altijd een zwerfster geweest, een vagebond, een landloopster, een bedelares, die met anderen door onze streken trok. Ze pikte wat ze pikken kon, versleet verschillende mannen met wie ze een aantal kinderen kreeg.

Hoewel het merendeel van de Meijelnaren in armoedige omstandigheden leefde, werden arme stumperds als Dikke Mie niet meteen de deur gewezen. Ze kwam in Meijel, met haar kinderen vaak bedelen. Uit compassie kregen ze eten en drinken en mochten ze in de schuur of stal blijven slapen, hoewel dat streng verboden was.
Dikke Mie was de bijzit geweest van Willem Boekels, die haar met hun twee kinderen in de steek liet. Met werken op het land en ’s winters met de bedelkorf langs de deuren probeerde ze met haar kinderen te overleven. Ze papte aan met de wannenlapper Pauwelijne Peer, waarmee ze minstens nog twee kinderen kreeg. Haar oudste dochter Katrien kraamde ze in een verlaten, bouwvallig huisje te Koersel. Met haar kerels had Dikke Mie geen geluk. Pauwelijne Peer werd op 10 februari 1746 in Stramproy in een herberg tijdens het kaarten door een vagebond vermoord.
Op 10 augustus 1750 werd Dikke Mie met drie van haar kinderen tijdens de kermis in Bocholt opgepakt en overgebracht naar Bree. Vandaar werden ze naar Luik gevoerd, waar ze tien weken zaten opgesloten. De krijgsraad veroordeelde haar op 12 oktober wegens landloperij en het tonen van een valse pas tot een geseling en een brandmerk. Bovendien werd ze met haar dochter Katrien uit het Prinsbisdom verbannen.
In de nacht van 17 op 18 augustus 1752 werd ze met haar jongste dochter Jennemie tijdens een klopjacht in Liessel gearresteerd. Daags daarna werden in de Peel ook Katrien en Koob, haar jongste zoon, opgepakt.
Na bijna twee maanden opsluiting in de donkere, vochtige kerkers van het Astense kasteel werden ze door het Astense gerecht op 13 oktober veroordeeld wegens landloperij. Dikke Mie werd gegeseld en verbannen. Katrien moest voor straf met roeden om haar hals te pronk staan en toezien hoe haar moeder er van de beul van langs kreeg. De minderjarige Jennemie en Koob kwamen met de schrik vrij.
Op 21 oktober 1753 werden ze in Lommel opnieuw wegens landloperij en bedelarij in de kraag gevat en in ’s-Hertogenbosch opgesloten. Na haar berechting werd Dikke Mie in april 1754 gegeseld, verbannen en voor de tweede keer gebrandmerkt. Murw, na een leven vol ontberingen, overleed ze op 47-jarige leeftijd in juni 1755 in Meijel.

Lotgevallen van de kinderen van Dikke Mie.
De kinderen van Dikke Mie verging het niet veel anders dan hun moeder.
Van Peer, de oudste, is slechts bekend, dat hij in zijn jeugd een tijdlang in Blerick in de kost was. Omstreeks 1760 werd hij in Boxmeer door boeren doodgestoken.
Katrien kreeg meerdere kinderen, die veelal jong stierven, van verschillende mannen. Ze zat in de gevangenissen van ‘s-Hertogenbosch en Brussel waar ze op het schavot werd gegeseld en verbannen.
Katrien was ook van de partij op 6 juni 1755 bij de overval op de Tangerhof te Hout-Blerick. Twee maanden later werd ze in Straelen opgepakt. Op 2 april 1756 werd ze vanwege die roofoverval veroordeeld tot een geseling met vierenzestig stokslagen, een brandmerk en een levenslange verbanning.
Ze leerde tijdens haar bedeltochten Peer Berendonckx uit Swolgen kennen. Samen werden ze in 1757 in het Land van Thorn gearresteerd, waar ze einde november werden gegeseld.
Rond de jaarwisseling van 1758 naar 1759 werd Katrien in Krickenbeck gearresteerd, waar ze wist uit te breken. In oktober 1759 werd ze in Leveroy opgepakt en overgebracht naar Thorn, waar ze in maart werd gemarteld en verbannen. In de jaren daarna zat ze vast in Kleef, Wesel en drie keer in Luik, waar ze op 29 augustus 1763 voor de tweede keer werd gebrandmerkt. Nadat Peer Beerendonckx dienst had genomen in het Pruisische leger, knoopte ze verschillende relaties aan met andere vagebonden. Samen met Jennemie werd ze op 20 februari 1765 in Lommel in de kraag gevat en naar ’s-Hertogenbosch gevoerd, waar ze na haar berechting op 17 november werd opgeknoopt.
Jennemie werd in januari 1761 op 19-jarige leeftijd met haar drie jaar jongere broer Koob in Leveroy tijdens het bedelen gearresteerd en door het Thornse hoofdgerecht veroordeeld tot een geseling van 45 stokslagen. In 1764 werd ze drie keer opgesloten te Luik, waar ze op 30 mei werd gegeseld en gebrandmerkt. Ze werd uiteindelijk in ‘s Hertogenbosch tot de strop veroordeeld en op 22 augustus 1765 opgehangen.
Koob, de jongste, werd in de nazomer van 1759 op veertienjarige leeftijd te Belfeld gearresteerd en in de Montfortse Grauwert opgesloten. Hij ontliep de doodstraf, omdat hij nog minderjarig was.
Met zijn twee jaar oudere vriend Piet Goet, die op 29 augustus 1759 in Kessenich Baron Johan Filips van Waes had doodgeschoten, vagebondeerde hij in Helden, Kessel, Meijel en  het graafschap Horn. Op 31 januari 1761 werd hij in Thorn veroordeeld tot een geseling en een brandmerk. In de zomer van dat jaar pleegden ze inbraken in Baarlo, Vortum en Nuland en een roofoverval in Maasbree. Op 11 juni 1761 werden ze in het Land van Ravenstein bij Zeeland tijdens het baden in de Graspeel gearresteerd. Piet wist uit de Ravensteinse gevangenis te ontvluchten. Koob werd er daags voor Kerstmis opgehangen.

Grotendeels gebaseerd op een hoofdstuk van Peter Geuskens uit het boek “Meijel bijzonder dorp in de Peel” aangevuld met  stukken uit een notitie van Henk Willems genaamd “Dikke Mie het verhaal van een kansloze zwerfster.”

Tom van Bakel.


Herinneringen uit kinderjaren, Lei van der Elsen.

De Astenseweg is vol vluchtende mensen. Op de kar, waarop ik zit, wordt de rozenkrans gebeden en veel gehuild. In Heusden, vlakbij het kasteel, krijgen we onderdak bij de familie van Laarhoven. De volgende dag is  mijn broer Jan jarig. Vanwege zijn achtste verjaardag krijgt hij van opa één gulden. Mijn moeder zegt: “kom maar hier, ik zal hem voor jou bewaren.”
Mijn vader is naar Asten. Daar zijn grote groepen Nederlandse krijgsgevangenen. Mijn oudste broer André is daar ook bij. Vader heeft hem gezien, maar mag dat niet laten blijken. Toch is er even opluchting en blijdschap, dat André gezond en wel is.
De volgende nacht brengt mijn vader twee paarden naar een weiland bij het Deurneskanaal. Er gaan namelijk geruchten dat de Duitsers paarden komen vorderen. Hij komt te voet terug, zijn fiets is afgenomen.

Ook de boerderij van van der Elsen, Molenstraat,
werd in de as gelegd.
Ten tijde dat deze foto gemaakt werd, was Lei nog niet geboren.

 

 

 

André komt na zes weken terug uit gevangenschap in Duitsland. Die nacht vallen er 6 bommen in het Startebos. Hij is de enige die er niet van wakker geworden is. Veertien uur achter elkaar slaapt hij. Duitse soldaten behoren tot het dagelijkse straatbeeld. Maar we krijgen het ingeprent: Duitsers zijn onze vijanden en NSB’ers zijn landverraders met wie we niet mogen praten. Wel moeten we goed in de gaten houden wat de Duitsers in hun schild voeren en dat moeten we thuis allemaal vertellen. Je weet precies hoever de moffen op de Molenbaan gevorderd zijn met de bouw van schuilkelders, officiersverblijven en garages. Aan niemand mag je vertellen dat we een schuilplaats hebben onder de grond in het kippenhok, dat je in het Startebos een schuilkelder hebt ontdekt en dat bij het inleveren van de radio’s niet de radio maar een doos met turf naar de verzamelplaats, het gemeentehuis , is gebracht.

Ik herinner me: de SS’er die de “Schnaps” uit zijn veldfles in de gootsteen leegschudde en tegen mijn moeder snauwde: “Ich möchte milch haben.” De kille blik van die brute soldaat, toen mijn moeder zei: “Toch wel bedankt zeker!

Mijn broer Wiel wordt 18 jaar. Hij moet zich melden bij de Duitsers in Venlo, krijgen we te horen. Met een kar vol bieten wordt hij naar Helden gebracht om vandaar per tram naar Venlo te reizen. Later blijkt, dat hij onder de bieten verscholen op de kar ligt. Bij een oom op de schuur wordt hij opgepikt. Vanaf dan is hij onderduiker. Bij eventuele thuiskomst moeten we hem voortaan met “ome Toon” aanspreken.

Als we ‘s nachts Engelse vliegtuigen horen, staan we vaak buiten te kijken hoe de lichtbundels van de zoeklichten de hemel afzoeken om een bommenwerper in de stralen te “vangen” en vervolgens zo’n toestel naar beneden te zien dwarrelen als gevolg van een voltreffer van het luchtafweer geschut. Toch is men blij via de geheime zender te horen dat de vliegvelden Venlo of Eindhoven weer gebombardeerd zijn.

Toneelspel door jonge boeren. Van links naar rechts;

Mientje op het Veld,

Els Nijssen,

Lei van der Elst

en Teike  Mestrom.

Op 6 juni landen de geallieerden in Normandië.
Nu zullen de Duitsers snel overrompeld worden. Toch wordt Maastricht bevrijd. We hoeven niet naar school. De sfeer tussen soldaten en burgers wordt steeds grimmiger. Na een povere waarschuwing wordt de Meijelse kerk opgeblazen. De volgende dag zien we terugtrekkende Duitse troepen, artilleriegeschut en tanks, de wegen zitten vol militair verkeer. Daarnaast fanatieke SS’ers met pantservuisten, dodelijk vermoeide jonge en oude soldaten, die oh zo vreselijk hard verlangen naar het einde van die “Scheiss-Krieg”.

Ik herinner me: de gesneuvelde soldaat die langs de weg begraven was en van wie de laarzen nog boven het zand uitstaken.

Ondertussen slapen we met z’n dertienen in de schuilkelder en overdag verblijven we erin als er granaten vallen. Meijel ligt in de frontlinie. Het vee, of wat er nog van over is, moet verzorgd worden: 3 koeien, 1 zeug met biggen, 1 varken, 1 kalf en enkele kakelende kippen. Honger lijden hoeven we dus niet, want ook bakker Toon Knapen is nog in Meijel.

De Duitsers achter het Deurneskanaal, de Engelsen op de Astenseweg. Overdag mitrailleurvuur tegen elkaar, lichte schermutselingen. ‘s Nachts steken Duitse patrouilles in bootjes het kanaal over en branden achteraf boerderijen plat om een vrij schootsveld te krijgen.
Mijn vader, die een eind van huis 3 koeien op de “ tuur” gaat verzetten, komt oog in oog te staan met een 4 mans Duitse patrouille. Hij moet onmiddellijk mee om als schietschijf te dienen voor het geval er Engelsen zijn. Als die er geen blijken te zijn, mag hij in de Molenstraat weer naar huis. Een kwartier later zijn er wel Engelsen. Er ontstaat een vuurgevecht, waarbij één Duitse soldaat sneuvelt. Enkele uren later wordt hij met een handkar opgehaald. Hij heeft gitzwart haar.

De angst en onzekerheid neemt toe. We moeten weg uit Meijel. Maar ons paard en dat van Graad Nijssen staan nog in de wei aan het Deurneskanaal. Onze Wiel en Dries Nijssen zullen ze gaan halen. Als ze te voet met

Lei bezig met het stomen van aardappelen

de paarden huiswaarts gaan, wordt er vanachter het kanaal op hen geschoten. Onmiddellijk laten ze de edele dieren los en door snel in een sloot vol ijskoud water te springen, weten ze het vege lijf te redden. Drijfnat kruipend door greppels komen ze ongedeerd thuis aan. De paarden worden ‘s avonds door Jantje Peijnenburg van de Schans bij de rechtmatige eigenaars afgeleverd.

Om veiligheidsredenen evacueren we naar Someren bij de familie Wijlaars, een grote  boerderij. Ik zelf heb nog nooit zoveel herfst-knollen moeten plukken als in die tijd, maar ook nooit is witbrood met rode jam zo lekker geweest als toen.

Een week nadat de Duitsers voorgoed verdreven zijn uit Meijel, gaan we onder fel protest van de O.D.  (Orde Dienst) naar huis. Mijn vader en vooral mijn moeder zijn niet meer tegen te houden. De eerste indruk van de verwoesting in Meijel is me steeds bijgebleven. Het lijkt wel of geen huis nog een plekje heeft om in te kunnen wonen. Alles ligt in puin, met uitzondering van de Dorpsstraat. Die is puinvrij gemaakt om het militaire verkeer doorgang te verlenen. Onze boerderij is totaal afgebrand. Waar eens een stal was, liggen drie verkoolde koeien aan de ketting en twee kalveren. Er lopen 21 katten rond (ik heb ze zelf geteld!), waarvan er één geen haar en geen ogen meer heeft. Ze zijn allemaal afgekomen op de Engelse keuken, die bij ons op het erf staat.

Ik herinner me: het verheugend verschijnsel van dat ene overgebleven rund met de verbrande rug, dat later een prima melkkoe werd.

We zien ons genoodzaakt een overeind gebleven kippenhok als woonhuis te installeren. Een kachel uit het verbrande huis gaat weer dienst doen en gelukkig is er nog turf als brandstof. Dat tijdelijk verblijf biedt evenwel te weinig beschutting tegen de winterse kou. We krijgen beter onderdak in de Simonshoek bij Pliëres Bert. Enkele weken later verhuizen we naar ‘t huis van Tieskes Kessels in de Molenstraat, alvorens we voorgoed onze intrek nemen in onze eigen nieuwe noodwoning.

Ik herinner me:
* de pereboom, die door midden was gespleten en waaraan toch peren groeiden;
* de soldaat, die nadat hij in de schuur gerust had, zijn geweer kwam ophalen, dat hij vergeten was;
* de tientallen schuttersputjes, waarin nog allerhande oorlogstuig te vinden was.

Overgenomen uit het boek; Meijel 50 jaar bevrijd.

Tom van Bakel.


Het bijzondere van Meijel.

Vele jaren heeft Meijel een naam gehad, die weinig met cultuur of beschaving te maken had. Van buiten af werd met een bedenkelijk gezicht, soms zelfs zeer afkeurend naar het peeldorp en zijn verleden gekeken. De inwoners van het dorp in de geheimzinnige Peel werden gezien als turfmannen die ver afstonden van de beschaving buiten die Peel. De Meijelse inwoners leefden echter absoluut niet van turf alleen.
Hoewel de Meijelse burgemeester van der Steen in 1854 de Meijelsen al karakteriseerde met “van bijzonderen en goeden aard, rustig en vergenoegd levende”, noteerde pastoor Bussing van Liessel in 1885, dat zij van Limburgsche aard zijn, waarop in geenen deele kan vertrouwd worden. Overigens deed genoemde pastoor deze mededeling aan zijn bisschop en wel op het moment dat Neerkant, geholpen door gelden van enige Meijelsen, een zelfstandige parochie dreigde te worden, waardoor een deel van de Liesselse parochie zou worden afgekoppeld.
Anderen oordeelden ook wel eens hard over Meijel en de Meijelsen, als ze zich benadeeld voelden of als ze rechtvaardiging zochten voor eigen tegenslagen. Inwoners van Helden, vechtend om een turfgebied in de Meijelse Molenpeel, schreven in 1740, dat de Meijelsen dat gebied slechts gebruikten voor de bouw van schaapskooien die “meestendeel dienen voor schuijlplaetsen van schelmen en gaauwdieven.

Ook Brabantse bestuurders die rond 1750 tevergeefs zochten naar zwervers en booswichten in de Peel, veroordeelden Meijel tot een plaats alwaar zig altijt veele voornaeme gaauwdieven van tijd tot tijd hebben onthouden.”
Deken Bistervelt van Weert, gestoord in zijn bezigheden van biecht horen en preken rond de feestdagen van Simon en Judas, zocht in 1717 al naar middelen om “ die quaedtaerdighe boeren ende peelhaesen van Meijel tam te maecken.”

Ook het dialect van Meijel is een bijzonder en afwijkend dialect..
Door de eeuwenlange geïsoleerde ligging tussen moeras en Peel, ver van buurtdorpen af, heeft Meijel een dialect ontwikkeld dat een heel eigen plaats heeft tussen de aangrenzende Limburgse dialecten en die van Oost-Noord-Brabant.

Politiek gezien heeft de plaats lang in een uithoek gelegen. Meijel heeft nooit deel uitgemaakt van de Republiek der zeven Provinciën; buurgemeente Deurne bijvoorbeeld wel. In de achttiende eeuw lag Meijel in Oostenrijks Gelder, terwijl buurtgemeente Helden tot Pruisisch Gelder behoorde. Met Helden heeft Meijel eeuwenlang geruzied over turfgronden tussen de beide gemeenten in, hoewel Brabanders en Limburgers o.a. uit Helden) met elkaar huwden en in Meijel gingen wonen. Al deze factoren hebben ertoe geleid dat Meijel een dialect heeft met heel eigen kenmerken en dat er grote verschillen bestaan tussen het Meijels en het Heldens en Roggels dialect. De aansluiting bij de Peellandse dialecten uit het Brabantse is groter dan die bij de Limburgse. In Meijel verkort men de klanken meer dan bijvoorbeeld in buurgemeente Helden.

 Oude kaart van Meijel waar op de geïsoleerde ligging in de Peel goed zichtbaar is.

 

 

 

 

Het zangerige, dat men wel eens het meest typisch Limburgse kenmerk noemt, heeft het Meijels veel minder dan de Limburgse buurtdorpen. Door een deel van de bevolking wordt dit Meijels dialect nog gesproken. Maar in de loop van de tijd is het wel al wat veranderd. Woorden als “taaftere” voor namiddag, “teule” voor ploegen, “nobber” voor nabuur hoort men niet meer. De invloed van een veranderende maatschappij en het Algemeen Nederlands kan men ook hier merken.
In de geschiedenis van Meijel vindt je ook voorbeelden van bijzondere oude gebruiken en een eigen cultuur. Hierna volgen enkel voorbeelden.

De Willibrordusput

Het inhalen van een nieuwe heer geschiedde steeds volgens oude traditie. De heer werd onder de hoge dorenboom voor de kerk een kruis aangeboden; hij beloofde dan plechtig dat de oude privileges en rechten van de gemeenschap werden gehandhaafd en vervolgens trokken alle aanwezigen met het vaandel om de kerk, waarbij de lofzang Te Deum Laudamus werd gezongen.
Als de heer van Meijel met de schepenen een wandeling langs de grens maakte, stopte hij heel bewust op de hoekpunten, bij St. Willibrordusput, Vorckmeer (nu Helenaveen), Kellerbergh, Haenenbergh, Mussenbergh, enz. Dan werd in stappen de afstand tot de toren in Meijel uitgedrukt. Een jongen werd er bij gehaald, meestal een jonge scheper (schaapherder) die in de buurt was. Deze jongen kreeg op het grenspunt een klap tegen zijn hoofd, zodat hij vele jaren later nog precies zou kunnen zeggen: Op deze plaats is een grenspunt, want hier gaf de heer mij een klap tegen het hoofd. Op die grenspunten werd bijna jaarlijks samen met de bestuurders van Deurne en Helden/Kessel de oude grensbeschrijving gelezen.
Het geheugen van onze voorouders was bijzonder goed, als we de verhalen over lange jaren mogen geloven. Toch gebruikte men soms aparte geheugensteuntjes. Bij het opmaken van een testament of het afsluiten van een contract wierp men wel een brok boter tegen het plafond, zodat de vlek steeds de herinnering zou opfrissen.
De vroegere Meijelse boertjes bezaten – een paar families enigszins uitgezonderd – slechts weinig aan grond, huis of dieren. In hun onderlinge handel volgden ze echter allerlei regels. Bij openbare veilingen werd gemijnd volgens algemeen gebruik: er werd een kaars aangestoken, bij opbod riepen de kopers mijn (mijnen) en degene die bij het uitgaan van de kaars het laatst mijn had geroepen was de koper.
En dan vermelden de oude teksten de helmelinge, waarbij de verkoper door het overgeven van een strohalm aan de nieuwe eigenaar, duidelijk maakte, dat hij afstand deed van zijn bezit. Daarna volgde meestal een bedankje voor de prompte betaling.

Dit artikel is samengesteld uit en aan de hand van verschillende verhandelingen opgehaald op internet. Onder andere van de archiefdienst van de gemeente Peel en Maas, maar soms ook van onbekende bronnen.

Tom van Bakel.


Moppe Piet.

Mijn vader Piet Snijders woonde aanvankelijk in Breda, waar hij een groentewinkel uitbaatte.
Vanwege de crisis in de dertiger jaren liep de klandizie dusdanig terug, dat er niets anders overbleef dan het zaakje te sluiten. Maar mijn vader ging niet bij de pakken neerzitten en meldde zich bij de werkverschaffing in Chaam.

Moppe Piet

Daar waren in verband met de mobilisatie veel militairen gelegerd. Mijn vader had al gauw in de gaten dat die soldaten veel versnaperingen gebruikten. Zijn keuze was dan ook snel gemaakt. Hij begon met het slijten van koeken, repen chocola, sigaretten en andere zoetwaren aan de soldaten van het 30ste Regiment Infanterie.
De handel bloeide in die mate dat hij zich een bakfiets kon aanschaffen om nog meer service te kunnen verlenen.
Als marskramer, met een vlotte babbel, genoot hij een niet geringe populariteit bij de militairen. Dat was ook de kapitein niet ontgaan, want die vroeg of hij zin had om kantinebaas te worden. Daar had hij wel oren naar en van meet af aan liep ‘t zaakje als een trein. Zelfs mijn moeder moest al gauw genoeg mee om achter het buffet glazen te spoelen. Het was voor beide een drukke en gezellige tijd, totdat plotseling de onheilstijding kwam dat de soldaten moesten worden overgeplaatst. Toen zat mijn vader met de handen in het haar. Maar de kapitein hand snel een oplossing voor handen. “Weet je wat je doet Piet. Je gaat gewoon met ons mee.” En zo gezegd, zo gedaan. Een maand verbleef mijn vader met het regiment in Asten. Daarna volgde overplaatsing naar Meijel. Hoewel Piet nog nooit van dat Peeldorp gehoord had, trok hij toch maar mee, want hij voelde zich nauw bij de soldaten van het Regiment betrokken. Bij Béér Verstappen ging hij in de kost en bij Pauwen Toon stalde hij zijn bakfiets.
Met de weekeinden reisde hij naar Breda om vrouw en kinderen te bezoeken. Maar dat op en neer gesjouw beviel hem allerminst. En ook nu lachte het geluk hem toe. Toevallig kwam er in de Dorpsstraat een winkelpand vrij, dat hem te huur werd aangeboden. Hij nam die kans waar om hier weer ‘n zaakje te beginnen. Allereerst liet hij zijn vrouw en 5 kinderen overkomen.
Nou dat was me wat! We hadden nog nooit in een auto gezeten. We dachten dat we naar het andere eind van de wereld gingen. Bij aankomst in Meijel waren we dolblij, maar dat pakte anders uit.  Mijn moeder, Moppe Kee, kon hier helemaal niet aarden en er werd dan ook niets uitgepakt. Het verlangen naar de geboortegrond, het heimwee knaagde aan haar; ze bleef maar huilen. De toestand van het oude huis en de overgang van de grote stad naar piep-klein dorp was te veel. Er zat voor mijn vader dan ook niets anders op dan het hele gezin terug te sturen naar Breda. En dat gebeurde met de luxe auto van Tjeu Coumans, één van de weinige bewoners , die destijds een dergelijk voertuig bezat. Toen mijn moeder de toren van de Hero fabrieken weer zag, was ze direct genezen. Na enkele weken raapte ze alle moed bij elkaar en keerde ze met haar zuster terug naar Meijel om het huis te gaan poetsen. Ze bleef een maand hier ter gewenning en die tijd bleek voldoende om over haar heimwee heen te geraken. De kinderen liet ze weer overkomen, ze onderhield goede contacten met de buren en ook zakelijk verging het hen zo slecht nog niet. Vanwege de inundatie van bouw- en weilanden, gevolgd door een zeer strenge winter, stond mijn vader ieder dag met de bakfiets op het ijs om koeken en chocolademelk aan de man te brengen. Menigeen zal zich nog de reclamekreet “nappie, nappie, lekker happie” herinneren waarmee hij beleefd de tompoezen bij de schaatsende cliënteel wist aan te bevelen. Maar helaas, in mei 1940 brak de oorlog uit en was het lieve leventje weer afgelopen. Na terugkeer van de evacuatie naar Asten begon mijn vader als eerste in Meijel een groentewinkel.
Hij schreef op de winkelruit; “wie goed en lekker wil eten, mag Moppe Piet niet vergeten”.  Blijkbaar is die spreuk bij het winkelend publiek goed in de smaak gevallen, want Moppe Piet is tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd in de groentebranche werkzaam gebleven.
Waaraan Piet zijn bijnaam heeft te danken is niet zo moeilijk te verklaren. In Meijel zeggen ze tegen koeken ook wel “moppen”, en zodoende. Zijn tweede bijnaam, “Piet den Dertigste”, berust op louter toeval , namelijk dat hij met het 30ste Regiment is komen afzakken naar dat Peeldorp, waar het nog steeds goed wonen is.

Overgenomen uit het boek; “Meijel 50jaar bevrijd”. Dit stuk werd geschreven door Corrie Snijders (Cor van de Mop), dochter van Moppe Piet.

Tom van Bakel.


Van schepenen, keuren en breuken.

Schepenen en Dingbank

In de vijftiende eeuw had Meijel schepenen die samen het dorpsbestuur vormden. Er waren zeven schepenen, die vergaderden onder leiding van een schout. Deze schout was tot 1789 iemand van buiten Meijel, die goed onderlegd was en de zaken van de heer in Meijel behartigde.
De schepenen of stoelbroeders waren Meijelse ‘geërfden’. Zij moesten in Meijel dus goederen als huis en grond hebben die ze als erfenis aan hun kinderen mochten doorgeven. Bovendien moesten ze van redelijk onbesproken gedrag zijn. Kunnen lezen of schrijven was geen voorwaarde. De groep mogelijke kandidaten was in Meijel beperkt, waardoor een schepen vaak opgevolgd werd door een zoon.

Zegel van de Meijelse schepenbank 1716

Schout en schepenen werden bijgestaan door een secretaris, een gerichtsbode, borgemeesters en gemeensmannen. De gerichtsbode had in Meijel allerlei taken. Hij was onder meer veldschut, veldwachter, dorpsdeurwaarder, omroeper en boodschapper. Hij moest zondags in of buiten de kerk verordeningen, verpachtingen en veilingen afkondigen. De borgemeesters bleven als beheerders van de financiën van het dorp maar twee jaar aan, waarna ze verantwoording moesten afleggen. Het was geen pretje om borgemeester te zijn, want hij moest belasting innen en met zijn eigen bezit garant staan voor de verwachte opbrengst.
Er waren geen ambtenaren in dienst van de schepenen. Allerlei praktisch werk als uitzetten van turfvelden, opsporen van overtredingen of controle op wegen en hand- en spandiensten werd gedaan door gemeensmannen, inwoners die dit naast hun gewone werk tegen een zeer geringe vergoeding deden. Officieel werden de schepenen volgens de in 1483 op schrift gestelde rechten door de heer van Meijel aangesteld. In praktijk werden ze in Meijel aangewezen en legden ze de eed af in handen van de schout als vertegenwoordiger van de heer.
De kandidaat-schout had vaak een ruim bedrag aan de heer toegezegd. Hij verdiende dat geld wel terug, want hij ontving voor elke afkondiging in de kerk een ducaton, bij de verpachting van de tienden voor elk bod een pattacon, van opgelegde boetes een deel en verder alle vergoedingen die nodig waren om zijn baan naar behoren te vervullen. Dit laatste kon hij zelf aangeven. De
schepenen kwamen minstens één keer per jaar bij elkaar in een algemene zitting. Dan stond er geen beleid op het programma, maar werd er gesproken over overtredingen, gevaarlijke situaties, ongeoorloofde putten, gevaarlijke opslag van turf of slecht bijgehouden sloten.
De schepenen kwamen natuurlijk vaker bij elkaar, afhankelijk van de noodzaak, soms een keer per  maand, soms een morgen in een aantal weken achtereen. Die noodzaak kon ontstaan door een landelijke of regionale verordening in verband met oorlog of zwervers, door een doodslag in het dorp, door de vraag om testamenten of grondtransacties vast te leggen, door de uitgifte van stukken woeste grond voor ontginning, door een noodzakelijke openbare verkoop, door een overspelige dorpsgenoot die niet met de aanstaande moeder van zijn kind wilde trouwen. Afhankelijk van de belangrijkheid van de onderwerpen waren er schepenen aanwezig. Vastleggen van een transactie konden drie schepenen wel aan, maar bij oordelen over zware overtredingen was de aanwezigheid van alle zeven gewenst.

‘Ceuren ende Breucken’
Keuren en breuken waren als het ware de eerste APV van Meijel, de Algemene Plaatselijke Verordening. Een keur is een regel of een verordening en een breuk is een overtreding. In de keuren en breuken van onze vrijheerlijkheid werd in 1578 vastgelegd waaraan de inwoners zich te houden hadden en welke boete ze moesten betalen bij een overtreding.
Die keuren en breuken zouden tegenwoordig mogelijk als volgt geklonken hebben, met behoud van de in 1578 vastgestelde boetes.

    • Niemand moet het in zijn hoofd halen om zonder verlof een nieuw turfveld in

      Turfgereedschap; een lijnijzer.

      gebruik te nemen, op straffe van een goudgulden.

    • Niemand mag heizoden of grasklompen steken, op straffe van twee gulden en drie stuivers.
    • Niemand mag turfsteken te dicht bij de open afgaande banen waarover de kruiwagens moeten rijden, op straffe van twee goudguldens.
    • In de dwarsbanen mag ook niet gestoken worden of men moet de kuil onmiddellijk vullen met akkergrond, op straffe van dertig stuivers.
    • Men mag niet te dicht bij een kuil van een ander steken of daar turf te drogen zetten, op straffe van een goudgulden en verbeurdverklaring van de turf.
    • Iedereen moet de turfputten netjes achter elkaar leggen en het niet bruikbare steeksel uit de nieuwe put in de vorige gooien, op straffe van een halve goudgulden.
    • Als iemand graszoden of plaggen steekt voor het bouwen en afdekken van huizen en hutten, dan moeten de kuilen met akkergrond worden gevuld op straffe van dertig stuivers.

Klotkar

  • Harde hei mag alleen gestoken worden op plaatsen die de schepenen aanwijzen, zodat er niet stiekem een nieuwe turfkuil gemaakt wordt en om jonge planten voor begrazing door vee groeikansen te geven, op straffe van drie gulden.
  • Niemand mag hei maaien op voor de heer vrij gehouden plaatsen en in het jonge groen, op straffe van twee goudguldens.
  • Sloten, kuilen en oude wallen moeten bij het opknappen en afwerken zo aangebracht worden dat anderen er geen last van ondervinden, op straffe van dertig stuivers en bij herhaling een extra-boete van de heer.
  • Hengsten mogen niet loslopend grazen in lager gelegen gebieden of op natte gronden, op straffe van een goudgulden.
  • Iedereen moet de omheining en sloten rond zijn erf zo maken dat er geen wroetende varkens van het erf af kunnen, op straffe van vijf stuivers.
  • De afwateringssloten moeten steeds goed open gehouden worden, op straffe van een goudgulden.
  • In de gevrijde gebieden van de heer en in de Molenraam mogen geen schapen te grazen worden gezet en er mogen ook geen turven of plaggen gestoken worden, op straffe van vier schilling.
  • In die gevrijde gebieden mogen geen keutels als mest verzameld worden, op straffe van zeven stuivers.
  • In de gevrijde gebieden mag niemand zijn schapen laten lopen of grazen, op straffe van zeven stuivers.
  • Niemand mag in de heggen van een ander snijden of er takken uithalen, op straffe van eenendertig stuivers.
  • Het is niet toegestaan over de grond van een ander paden of wegen te maken, op straffe van eenendertig stuivers.

Sterk ingekort overgenomen uit het boek; “Meijel bijzonder dorp in de Peel”. Het hoofdstuk; “Van schepenen, keuren en breuken” door Henk Willems.

Tom van Bakel


Loet van Sil en de hervormingen in de landbouw in de jaren zestig.
De executie van Hein Kessels.

Hein Kessels was een Meijelse die in de tweede wereldoorlog NSB groepsleider was.
Hij werd in de nacht van 16 op 17 juli 1943 geëxecuteerd.

Foto overgenomen uit het boek.

Onderstaand verhaal over de executie van Hein Kessels is overgenomen uit het boek; “The war determined our destination”  (de oorlog bepaalde onze bestemming) geschreven door Willem Verryt.
Willem (Wiel) Verrijt, zoals zijn naam oorspronkelijk luidde werd op 4 september 1920 in Helden geboren en emigreerde in 1950 naar Nieuw zeeland.
Bij het begin van de oorlog was hij actief bij de luchtbeschermingsdienst en van daar uit verzeilde hij al vrij snel in het verzet.
In maart 1943 duiken een aantal van Willems vrienden en bekenden onder omdat ze weigeren in Duitsland te werk te worden gesteld. Hun onderduikadres is een kippenhok in de Heldense bossen. Willem is, samen met anderen, degene die de onderduikers voorziet van eten en drinken.

Het verhaal van Willem:
Nadat de verhuizing en inrichting van dat eerste kippenhok klaar was trokken de 4 jongens erin. We spraken een ontmoetingspunt af op zo’n 500 meter waar we hen 3 keer per week zouden treffen om ze te voorzien van alles wat ze nodig hadden. Het was hard werken bovenop alle andere verplichtingen die we al hadden. Een paar maanden later waren er al enkele jongens meer verhuisd naar het kamp.
In dat jaar, 1943, na 3 jaren van bezetting werd de situatie hopeloos. De Duitse S.S. (Schutzstaffel) was, onder commando van de S.D. (Sicherheits Dienst), begonnen met invallen en ze pakten elke man op tussen de 16 en de 60 jaar.
Begin mei 1943 kwamen er in het kamp in drie weken 60 onderduikers bij. Het werk werd steeds moeilijker vooral ook omdat bijna alles in de nacht moest gebeuren. We waren inmiddels met 9 man die zonder  vragen te stellen hun werk deden.

Toen kwam de nacht van 15 juli. Een groep moest een klein kippenhok over een afstand van ongeveer 2 kilometer vervoeren naar het kamp. De onderdelen werden zigzaggend van boom naar boom door het bos gedragen waarbij we zo weinig mogelijke sporen probeerden achter te laten.

Hein Kessels

Op zo’n  500 meter van het kamp stond de hele groep plotseling in het felle licht van een carbidlamp van een stroper. De jongens, redelijk goed getraind, lieten de onderdelen vallen of zetten ze tegen een boom. Een van hen kreeg de opdracht om in het kamp alarm te slaan.
Binnen 15 minuten hadden we de omgeving omsingeld, enkele officieren en ex soldaten waren gewapend. We vonden niemand. In het kamp begon men met het inpakken en de voorbereidingen voor een vertrek. Er werden wachters en boodschappers langs de route, die naar het kamp leidde, geplaatst  maar er gebeurde niets.
We hoopten stiekem dat de stroper een vaderlandslievende dorpeling was geweest. De volgende morgen gingen de zaken helaas alsnog mis. De baas van de Marechaussee kreeg bezoek van zijn assistent die gestationeerd was in Meijel. Deze had ‘s morgens vroeg bezoek gehad van de district leider van de NSB (Hein Kessels) die collaboreerde met de Duitsers. Deze assistent moest zijn verhaal aanhoren hoe hij tegen een groep mannen aangelopen was die kippenhokken aan het verslepen waren in het bos. De district leider wilde dat de assistent de Duitsers voor 9 uur de volgende morgen inlichtte.
Omdat hij niet wist wat te doen nam de assistent contact op met zijn meerdere in Helden. Deze nam direct contact op met Wiel Houwen (hoofd van de lokale verzetsbeweging) en Wiel riep direct een noodvergadering bijeen in café Nouwen, het ouderlijk huis van Wiel, naast de bakkerij. Na een discussie van 30 minuten besloten we dat de enige oplossing was de verrader uit te schakelen. Dat moest nog die nacht gebeuren.
Op dat moment passeerde Kapelaan Spee (assistent van de parochie Priester) het huis. We vroegen hem even binnen te komen. Nadat we alles uitgelegd hadden, stemde hij in met onze beslissing. Beter één verrader dan een heel kamp.
Er werden er vier uitgekozen om de executie uit te voeren.

Om 4 uur ’s nachts vertrokken we uit Helden op fietsen. Alles ging goed en we kwamen nauwelijks iemand tegen. We moesten 2 keer schuilen achter een huis omdat er gewapende Duitse voertuigen voorbij kwamen.
Een van ons droeg een marine uniform dat ’s nachts wel een beetje leek op dat van de NSB. De anderen deden zich voor als S.D. die optraden als geheime politie, vaak in burger kleding.
Het was inmiddels de morgen van de 16e juli.
We klopten een paar keer hard op de voordeur van het huis van de verrader. Na enkele minuten ging er een raam open op de eerste verdieping en de bange stem van de N.S.B. er vroeg wat er aan de hand was. Onze leider vroeg hem in het Duits om naar beneden te komen en ons de plaats aan te wijzen waar hij de Nederlandse partizanen had gezien.
Binnen 3 minuten stond hij buiten, pakte zijn fiets en reed voor ons uit in de richting van Helden. Omdat de verrader mij mogelijk kon herkennen reed ik ongeveer 10 meter achter hen.
Hij probeerde een goede kameraadschap te tonen, hij dacht dat we Duitsers waren, en vertelde het hele verhaal tot aan het moment dat hij zijn klacht had ingediend bij de assistent.
Na ongeveer 3 kilometer begon hij achterdochtig te worden en zei in het Duits; “ik moet even plassen”. Hij liet zijn fiets vallen sprong over de greppel en begon te rennen. Op dat moment werd hij geëxecuteerd met 2 kogels uit een F.N. pistool. We legden hem met de fiets in de greppel.
We splitsten ons in twee groepjes en kozen de kortste weg naar onze veilige onderkomens. De leider samen met de marinier moesten terug naar het kamp om zo snel mogelijk de terugtrekking te organiseren. Ik sliep een paar uurtjes in een van mijn verstopplaatsen.
’s Morgens organiseerden Wiel en ik een vrachtwagen om ons te vervoeren. Het oorspronkelijke plan was om de verrader naar het kamp te brengen en hem daar te executeren, maar door zijn ontsnappingspoging en doordat zijn lichaam achtergelaten was langs de weg werd een evacuatie van het kamp onze belangrijkste prioriteit.”

Tot zover het verhaal van Willem Verryt.
Direct na de ontruiming van het kamp, terwijl hij nog even iets controleert, wordt Willem door de Duitsers opgepakt en vervolgens verhoord en geslagen. Hij beland in concentratie kamp Amersfoort. Uiteindelijk wordt hij in Duitsland te werk gesteld.
In december 1943 krijgt hij op basis van een vervalste brief waarin vermeldt is dat zijn moeder stervende is verlof om naar Nederland te gaan. Hij duikt onder en wordt weer actief in het verzet.

Gedeeltelijk overgenomen en vertaald uit het boek; “The war determined our destiny” van Willem Verryt.

Tom van Bakel.


Loet van Sil en de hervormingen in de landbouw in de jaren zestig.

Tot zo ongeveer 1900 bestond Meijel grotendeels uit kleinschalige gemengde boeren bedrijfjes. De Meijelse mensen leefden van wat hun bedrijfje opbracht en het weinige wat er overbleef probeerden ze te verkopen. Vanaf 1900 kwam daar wat verandering in als gevolg van de opkomst van kunstmest, het ontstaan van coöperaties en verbeterend onderwijs.De opbrengsten namen wat toe maar in de kern bleef Meijel een dorp dat voor het levensonderhoud afhankelijk was van de eigen teelt aangevuld met wat andere inkomsten.

Na de tweede wereldoorlog werden in Meijel allerlei gebouwen en optrekjes  zo goed en kwaad als het kon ingericht als woning, noodwoningen werden gebouwd, huizen en boerderijen werden hersteld. Het oude leven van mensen levend en werkend op kleine gemengde landbouwbedrijven, met veel handwerk en inkomsten uit diverse teelten  en diersoorten werd weer opgepakt alsof er niets veranderd was. Maar dat duurde niet lang. In de jaren zestig begon de opmars van het moderne, gespecialiseerde en gemechaniseerde landbouwbedrijf. Het aantal Meijelse landbouwbedrijven nam in rap tempo af. De ruilverkaveling diende zich aan, de bedrijfsvoering, financiering en agrarische opleidingen gingen op de schop. Er werden cursussen en excursies georganiseerd en er verschenen allerlei vakbladen.

Boer Koekoek

In tien jaar tijd werd de kleine Meijelse boer van voor en direct na de oorlog met zijn gemengd bedrijf  ingeruild voor de boer-ondernemer die efficiency en winstmaximalisatie hoog in het vaandel had staan. Niet alle boeren konden of wilden mee in deze snelle veranderingen. Met name het Landbouwschap  dat de boeren moest begeleiden in het veranderingsproces werd het mikpunt van de frustratie en woede van deze zogenaamde vrije boeren. Vooral in de tweede helft van de jaren vijftig  radicaliseerde de situatie in Nederland. De vrije boeren weigerden om de heffing aan het Landbouwschap te betalen wat in sommige gevallen leidde tot verkoop van hun bezittingen.

De vrije boeren vonden geen gehoor bij de bestaande politieke partijen  en in 1958 werd besloten een eigen partij op te richten, de Boeren partij. Voorzitter werd Hendrik Koekoek die als “ Boer Koekoek” binnen no time een begrip werd in Nederland. Koekoek werd de woordvoerder van de “vrije boeren” en genoot in de zestiger jaren  veel sympathie, hij werd ongekend populair wat zijn weerslag had op de verkiezingsuitslagen. In 1967 verwierf de partij zeven zetels in de tweede kamer. In maart 1963 kwam het in Hollandscheveld, geboorteplaats van Hendrik Koekoek, tot een gewelddadig treffen tussen de vrije boeren en de politie. Het conflict duurde drie dagen en één boerderij ging in vlammen op.

Loet van Sil

De belangrijkste aanhanger van de opvattingen van boer Koekoek en zijn Boerenpartij in Meijel was Loet Janssen van de Steenoven. Hij was een zoon van Silvester Janssen en Maria Magdalena Thijssen. Iedereen kende hem als “Loet van Sil”. In Meijel was Loet een markant figuur met wie je kon praten en lachen, een verenigingsman en  een echte Meijelse die niet hield van veel papier. Die bijzondere mens kon als een echte Meijelse ook vertellen. Zijn hart lag op de Steenoven. Daar kende hij de ouden allemaal bij de volksnaam, Bartele Driekske, die van Bolles en Kaarle, Rinke Nuur, Geurde Friedje, Krusje Marse Pier, Kulse Kupke, Kuttele Lins, Merkus Mam, Pietjes Perkus Corneel en nog veel meer. Hij schreef er zelfs over. Geen wonder dat hij lid van heemkundevereniging Medelo werd, geen  archievenonderzoek maar met de handen werken. De motor van de oude dorskast weer keurig aan het praten krijgen, met Jan van der Asdonk ploegen en karren opknappen, materialen verzamelen en in orde maken. En daarnaast hoorde je hem als lid van de gemeentelijke Werkgroep Culturele Activiteiten vertellen over vroeger.

Als vrije boer verzette Loet zich in de jaren zestig in het kielzog van de Boerenpartij tegen de heffingen van het Landbouwschap. Zijn verzet oogstte in Meijel zoveel waardering dat men in Meijel propaganda voor hem maakte als kandidaat gemeenteraadslid.
Als verkiezingsleus werd de slogan “stem goed, stem loet” gebruikt.
In 1970 werd hij lid van de Meijelse gemeenteraad. In de raad kon menigeen stevig met hem in de clinch gaan maar daar hoefde geen pijn van over te blijven. Bijpraten op zijn boerderij was altijd mogelijk, als je maar niet zei dat het volgens de papieren zo of zo moest. Loet hield er van om de zaak praktisch te bekijken en met gezond boerenverstand naar oplossingen te kijken. In alle vroegte samen met hem passen afmeten of het stuk grond dat de raad wilde verkopen niet groter was dan op papier stond.

Dat het toen in Meijel in de boerenwereld een woelige periode was herinnert ook Wim Basten, de postbode in die tijd, zich nog goed. Bij de “vrije” boeren die weigerden de heffingen van het Landbouwschap te betalen moest hij aangetekende brieven bezorgen die door de aangeschreven boer aan de deur ondertekend moesten worden voor ontvangst.
Er waren er verschillende die weigerden te tekenen en de brieven gingen retour afzender. Die schreef opnieuw een aangetekende brief voor de heffing .
Uiteindelijk verloren de boeren, ook in Meijel, de strijd en namen de grote gespecialiseerde landbouw een grote vlucht.

Gebaseerd op en gedeeltelijk overgenomen uit een artikel van Jos Pouls
in het boek “ Meijel in de jaren zestig”.

Dit boek is een uitgave van Medelo en samengesteld door Herman Crompvoets.

Tom van Bakel.


Macht en molens in Meijel.
In de tweede helft van de 19e eeuw telde Meijel 2 graanmolens.
Een daarvan was een middeleeuwse banmolen die in de storm van 8 november 1800 aan de Molenbaan was omgewaaid en daarna herbouwd werd tussen de Hoek en de Hagelkruisweg.
De andere was begin 1857 gebouwd aan In de Haag, aan de huidige Molenhaagweg.
De banmolen was eigendom van Willem Goossens en die van 1857 was gebouwd door Hendrik Veltmans met steun van onder anderen Jan Lenders.
Deze families, Goosens, Veltmans en Lenders bezaten in Meijel nogal wat macht.

Molen van Derckx van 1857.

De zittende burgemeester Arnold Hubert van der Steen had het daar moeilijk mee en probeerde die macht te breken in samenwerking met Peter Sanders, koster en gemeente ontvanger.
Wat de burgemeester niet wist was dat Peter Sanders, zo rond 1866, er financieel een rommeltje van had gemaakt. Zonder de Gemeenteraad daar van in kennis te stellen had hij 3.940 gulden uitgeleend aan Jan Sanders en er was ook nog een bedrag van 2.000 gulden verdwenen.
Het provinciale bestuur kreeg daar weet van en stuurde een ambtenaar die onderzoek moest doen naar de financiële handel en wandel in Meijel.
Toen bleek dat in de 9 jaar dat van der Steen burgemeester was, er 4.000 gulden verdwenen was. In oktober 1869 moest van der Steen verdwijnen als burgemeester. Koster en  gemeente ontvanger van der Sanden kon als gevolg van een ernstige ziekte geen uitsluitsel geven, hij overleed in januari 1870.

Willem Goossens werd vervolgens burgemeester van Meijel en Jan Truijen uit Weert werd tot gemeente secretaris benoemd.
Van der Steen kon dat slecht verkroppen en naast zijn werk als bierbrouwer en azijnmaker ging hij op zoek naar eerherstel.
Tegenover het machtsblok van Goossens, Veltmans, Lenders  en Truijen, vormde hij samen met o.a. Jan Sanders, Martien van de Kraan, Barthel Nijssen en Jan Franssen een nieuwe partij, het nieuwe licht.
De strijd tussen deze twee machtsblokken leidde in Meijel tot allerlei ongeregeldheden. Er werd op deuren en vensters geslagen, ruiten werden ingegooid, dakpannen en vensterblinden werden kapot gemaakt en er werden schotschriften en karikaturen aangeplakt. Van de daders ontbrak elk spoor, maar het was opvallend dat de huizen van Van der Steen en zijn aanhangers steeds gespaard bleven en dat de ongeregeldheden vaak ontstonden nadat de onruststokers gratis bier hadden genuttigd in de herberg van Van der Steen.

Het nieuwe licht richtte in 1872 de “Maatschappij tot het bemalen van een windmolen” op om op deze manier de macht van de groep Goossens, die de twee bestaande molens in eigendom had, te breken.
Deze maatschappij bouwde een nieuwe molen aan de Hoek, zo dicht bij de oude banmolen dat deze uit de wind kwam te staan en er nauwelijks nog klanten van deze molen gebruik maakten. Deze nieuwe molen werd in de volksmond; Sanders Molen genoemd.
De groep van Goossens halveerde het maalloon bij hun molens maar dat mocht niet baten, de klanten bleven weg.

Ondanks het feit dat Van der Steen c.s. 4 van de 7 zetels in de gemeenteraad van Meijel had verloren ze in 1872 toch de wethouders verkiezingen.
Burgemeester Goossens liet bij het aftreden van zittend wethouder Marten van den Boogaard deze verkiezingen houden op 5 september 1872, een dag waarop 2 leden van de groep van Van der Steen afwezig waren. Lambert van Rijt van de groep Goossens werd tot wethouder gekozen.
De gemoederen liepen opnieuw hoog op, er moest een extra rijksveldwachter en een snel tot onbezoldigd rijksveldwachter benoemde kantonnier aan te pas komen om de rust in Meijel nog enigszins te  bewaren.

In 1873 werden er gemeenteraadsverkiezingen gehouden.
Aan zulke verkiezingen konden in Meijel nog geen 10 procent van de inwoners deelnemen omdat een kiezer minstens 23 jaar oud moest zijn en per jaar meer dan 20 gulden aan belasting moest betalen.
Van der Steen en Sanders betaalden voor 34 mensen uit Meijel extra belasting  om er voor te zorgen dat de hun gunstig gestemde  groep van kiezers toenam.

Op 2 september 1873 werd er gestemd  en de kiezers kwamen naar de herberg van Van der Steen waar ze bier kregen en een al ingevuld stembriefje dat ze enkel nog in de stembus hoefden te stoppen.
Van der Steen werd wethouder met de ambitie om burgemeester te worden en Goossens trad af als burgemeester maar had bij de Commissaris des Konings Jan Truijen al voorgedragen als nieuwe burgemeester, maar Truijen bedankte voor de eer en bleef secretaris. De Commissaris die het gedonder in Meijel zat was benoemde Peter Johan Hubert Vullers, een buitenstaander, tot burgemeester.
Op 23 december 1875 werd Jan Truijen alsnog door een meerderheid van de gemeenteraad weggestemd als secretaris.

Langzaam maar zeker werd het vervolgens rustiger in Meijel de strijd tussen de twee machtsblokken verdween naar de achtergrond. Vanaf 1886 Meijel werd de strijd om de macht omgezet in een  eensgezind college van burgemeester en wethouders.
Joseph Sanders was burgemeester en Arnold Hubert van der Steen en Jan Truijen waren beide wethouder.

In 1878 werd de oude banmolen, die het oude licht werd genoemd, verkocht aan molenaar Lodewijk Pennings in Kessel. Daar staat deze molen  nog steeds en is zij te bewonderen als rijksmonument.
De molen die in 1872 gebouwd was door de “ Maatschappij tot het bemalen van een windmolen” en die bekend stond als Sanders Molen werd in november 1921 door een storm verwoest en weer hersteld. In de nacht van 12 op 13 oktober 1944 is deze molen door Duitsers opgeblazen.
De molen van Derckx van 1857, werd op 27 oktober 1944 door zowel de Duitsers als de Amerikanen zwaar beschoten en uiteindelijk bliezen de Duitsers die dag de restanten op.

Gebaseerd op een hoofdstuk uit het boek; Meijel, bijzonder dorp uit de Peel, geschreven door Henk Willems.

Tom van Bakel


Meijel kent al heel lang recreatie.
Als je op een oude kaart naar Meijel zoekt, valt het op dat het hart van dit dorp op een hoogte ligt met rondom moerassen.
De namen van de toegangswegen duiden daar ook op.
Denk maar eens aan namen zoals Roggelsedijk, Heldensedijk en Nederweerterdijk. Allemaal met lage gedeeltes waar je over heen moest om op die hoogte te komen; ’n gedeelte van deze hoogte die ook wel uit stuifduinen bestond is het ‘Startebos’. Eigenlijk al heel lang een recreatie- en uitloopgebied van Meijel. Allemaal op loopafstand van de ‘straat’ of het centrum.
Op de plaats waar nu de camping ligt, was toen immers al een speeltuin, in de jaren dertig gemaakt door de gebroeders van Bree met allerlei eenvoudige toestellen. En zelfs een springkuil voor hoogspringen en een voetbalveldje.
Regelmatig werden er wedstrijden gehouden, ook in zaklopen. De prijzen waren vaak in de vorm van een peperkoek.
En tussen de eenvoudige doelen, van boshout gemaakt, werden felle duels uitgevochten, tussen K.M.D. Klein Maar Dapper en U.V.O. Uit Vrienden Ontstaan of J.V.S. Jongeren Van De Straat.

                                                                      Jonge wacht 1936.
Bij mooi weer was er soms een ijscowagen van Sjang Basten.
En toen kwamen er klachten. De boeren die op de hoge akkers veelal koren zaaiden, vonden dat er teveel paden werden gemaakt in het koren. En pastoor was er niet blij mee, omdat het lof in de middag werd vergeten.
In de jaren vijftig begon dhr. G. Gooden, kampeerder in hart en nieren, te denken over camping Startebos. Die zou er in de zestiger jaren komen. Het bos kent verder nog diverse kleine eigenaren.
Misschien is dit bos niet altijd even goed onderhouden, toch is het best interessant. Het valt op dat de begroeiing nog veel zeedennen kent. Men beweert dat Truijen er nog veel heeft laten planten en zaaien. De zeedennen zijn in andere bossen veel zeldzamer.
Het bos wordt vanwege zijn ligging nog steeds veel gebruikt voor een ommetje, hetzij met of zonder hond. Het open veldje achter de Bijentuin was vroeger het Molaniaveldje en het was in de jaren dertig in gebruik bij de meisjeskorfbalclub en in de jaren vijftig door de ruiterclub De Roskam. Op de zondagmiddagen gingen de families vaak met zijn allen naar den Hoge Berg. Een witte stuifduin die midden in het bos lag en in sterk afgegraven vorm nog steeds aanwezig is. Wat ik me er nog van herinner is dat kinderen eraf rolden en dat hij zo hoog was als de bomen.
Het bos werd ook af en toe gedund voor gebruikshout en takkenbossen voor aanmaak.       In het midden Gerard Gooden.

En de veevoederketels werden er mee gestookt.
In augustus was de vakantiemaand. Er werden dan net als op woensdagmiddag droge dennenappels geraapt. Deze werden in zakken gedaan door de kinderen. Thuis werden ze in het brandstofschuurtje gedaan voor aanmaak van kachel en fornuis.
Op vakantie gaan kende men toen nauwelijks op de dorpen.
Toch kwam men er wel mee in aanraking door de hotels die Meijel kende. Ook de doorgaande wegen werden door fietsende vakantiegangers gebruikt. Men zag toen in de vakantiemaand al groepen en eenlingen op de fiets doorkomen. De meesten op weg naar Zuid-Limburg en Valkenburg, wat voor de randstadjeugd al een beetje buitenland was.
Ook de jeugdbeweging zoals De Jonge Wacht maakte dankbaar gebruik van het Startebos.

Het bos kende toen ook nog wat kleine heideveldjes; ook hier werd gespeeld en gekampeerd. Nu vindt men op sommige plaatsen veel kuilen en oneffenheden. Deze zijn ontstaan door het laden van witte zand voor gebruik in de kippenhokken. De gemeente deed hier ook flink aan mee om dit witte zand te gebruiken voor fietspaden.
Overigens zijn er ook gaten overgebleven van de stellingen van de Duitsers. Vooral eind oktober 1944 is er verbitterd gevochten. Men gebruikte het Startebos als springplank en camouflage vanaf de Peelkanalen naar het dorp.
Het geheel is niet veel veranderd in al die jaren, niet veel groter, niet veel kleiner. Nog steeds wordt er gespeeld en is er recreatie. Hopelijk mag dat nog lang zo blijven.
En wat ik zelf ervaar. Toen was ik zes jaar en leek het mij zo groot. Wandel ik er nu doorheen, nu ik oud ben, nu lijkt het me maar zo klein.

Sil Verschaeren.

Dit stukje is in het verleden geschreven door Sil en nu hier geplaatst als eerbetoon aan hem. Hij overleed  op 28 maart j.l. na een kort ziekbed op 89 jarige leeftijd. Hij was 40 jaar, vrijwel vanaf het begin, lid van Medelo.

Sil was zeer betrokken en actief.
Medelo verliest een groot verteller met een fenomenaal geheugen!
Inmiddels heeft de camping plaats gemaakt voor de nieuwbouw wijk Startebos.

Tom van Bakel.


Meijel, een haven voor vagebonden.
Grote armoede was in de achttiende eeuw in de Zuidelijke Nederlanden een van de grootste sociale problemen. Langs de wegen dwaalden veel hongerlijders op zoek naar voedsel. Met klopjachten en strenge straffen probeerden de overheden bedelaars en landlopers, die hongerend en wanhopig allerlei wetten overtraden, te ontmoedigen en te verdrijven.
Sommigen zagen geen andere uitweg dan zich aan te sluiten bij vagebonden, waardoor ze afgleden naar de criminaliteit.
Meijel, geïsoleerd liggend in de Peel en grenzend aan het Pruisische Helden en het Staatse Asten en Deurne, was een plaats, waar zulke gauwdieven bij voorkeur hun toevlucht zochten. Bij gevaar konden ze gemakkelijk wegglippen naar omliggende territoria en van de meeste dorpelingen hadden ze niets te duchten. Immers zonder hulp uit Roermond, de hoofdstad van Oostenrijks-Gelder, moesten die zich zelf zien te redden, en dan was het verstandiger om oogluikend toe te zien.

De beruchtste landloper, die in Meijel heeft rondgestruind, is Arike van Turnhout geweest. Eigenlijk heette hij Adriaan Regent maar omdat hij in Turnhout geboren was kreeg hij zijn bijnaam.
Nadat hij uit het Staatse leger was gedeserteerd, sloot hij zich aan bij een bende vagebonden, die in wisselende samenstelling vanaf 1735 in het huidige Limburg, Noord Brabant en de aangrenzende gebieden inbraken en overvallen pleegde. Zijn meeste kompanen eindigden aan de galg of op het rad. Arike, de sluwe vos, wist telkens de dans te ontsnappen.
Hij hield zich geregeld op tussen Maasbree en Helden, in Blerick, op groot Kockerse in de Boekend en in Neer. In Meijel kwam hij vaak bij iemand uit Helden, die aan het eind van de weg naar Roggel woonde. In een ander huisje in Meijel, het eerste aan de linkerkant komend door de Peel vanaf Helden, had hij in een kist een vest en twee pistolen verstopt. De mensen die daar woonden, een oud en een jong echtpaar, heelden.
In Dekeshorst tussen Helden en Maasbree, waar maar drie huizen stonden, verbleven ’s nachts veel gauwdieven, soms wel twintig tegelijk. Ze maakten plezier en slachtten gestolen schapen en hoenderen. Arike en zijn metgezellen maakten de plattelandsbevolking in het Pruisische ambt Kessel het leven zuur.

Op 2 juni 1750 beroofde Arike met zijn bende in Meijel de weduwe Aale van Luyten. Bij haar thuis woonden nog een dochter en twee zoons. Hendrik; een daarvan, was enkele jaren schepen geweest. Toen ‘s avonds de andere zoon naar buiten ging plassen, werd hij overrompeld en drongen vijf kerels het huis binnen. Hendrik, die juist naar bed ging, hoorde in de opkamer hoe ze zijn moeder, zijn oom en zijn broer en zus overmeesterden en knevelden. Hij vluchtte naar de zolder en klom in de hanenbalken om in het rieten dak een gat te maken, van waaruit hij om hulp kon schreeuwen. Een van de overvallers, die buiten op wacht stond, werd dat gewaar. Hij klom op het dak en sneed hem in zijn hand. Hendrik liet gillend los en viel naar beneden. Enkele bendeleden kwamen hem met brandende toortsen in het pikdonker zoeken. Toen ze hem vonden, bonden ze zijn handen op zijn rug en stootten hem van de zoldertrap naar beneden. Eentje haalde een kan olie uit de kelder, zette die bij het vuur en stak een tang in het haardvuur. Toen die gloeiend heet was, stak hij hem in de olie en brandde de neus en het gezicht van Aale en Hendrik ermee, terwijl hij spotte: “Siet eens hoe U die bril past.” Daarna schroeide hij de binnenkant van de dijen van Aale en die van haar broer om ze te dwingen de rest van hun geld te wijzen. Een gedeelte had Aale al gegeven, toen ze werd vastgebonden. Uit het beddenstro haalden de boeven nog eens een buidel met 27 zilveren rijksdaalders. Ook pakten ze kleren, twee lappen linnen en een gekookte ham. Toen de vlakbij wonende president-schepen, door het rumoer gealarmeerd, ze met zijn snaphaan onder vuur nam, namen ze schielijk de benen.

Op 25 november 1750 sloeg de bende in Deurne opnieuw toe. ‘s Avonds drongen ze bij drost Antony La Forme binnen. Ze mishandelden de vijf aanwezigen en roofden geld en zilverwerk ter waarde van ruim 1658 gulden. Een bedrag, waarvoor je destijds een boerderij kon kopen. Arike was ook het brein achter de gewelddadige beroving in de vastenperiode van 1752 in Velden. De bewoners werden geboeid, geslagen en met gloeiende tangen gemarteld. Ze werden voor het brandende haardvuur uitgekleed, met de haal naakt opgetrokken en naar het vuur gedraaid. Arike sneed met zijn mes in de kuiten en onder de borsten van de vrouw, waarna hij en Magere Nol ziedende olie in de wonden goten om te weten te komen, waar het geld was verborgen. Toen Arike hier de grond
te heet onder de voeten werd, zocht hij een ander operatieterrein. In de periode van 1755 tot 1765 was hij vooral in de Luikse en Brabantse Kempen actief, daarna in het Kleefse en in Amsterdam, waar hij woonde op het Franse Pad, een steeg in de Jordaan, waar zijn bijzit stierf. In 1764 trouwde hij met Geertrui Houbrechts. Hij trok zich terug uit het milieu en overleed in februari 1795 te Hasselt.

Ingekorte notitie van Peter Geuskens; bronnen zijn diverse historische centra en archieven.

Tom van Bakel.


Een Meijelnaar in China.
Toen in 1959 een naam voor een nieuw plein in Meijel vastgesteld moest worden viel de naam van Pater Willems op het gemeentehuis van Meijel. De pater zou, zo werd gezegd, op de plaats van het plein nog akkers hebben geploegd en koren hebben gezaaid.
Hij verloor nog bijna de “strijd” toen raadslid Bèr Huijerjans voorstelde om het plein de naam te geven van een andere, veel beroemdere geloofsverkondiger; Sint Willibrordus.
Met zes stemmen vóór werd uiteindelijk toch gekozen voor “Pater Willemsplantsoen”.

Wie was Pater Willems?
Piet Willems was de zoon van Hendrik Willems en Beatrix Gerits, nakomelingen van een geslacht van landbouwers dat in de loop van de tijd letterlijk achteruit geboerd was.
Hij werd geboren in 1877 in een Meijel dat nog een geïsoleerd dorp was met ongeveer 1350 inwoners verspreid over een aantal kleine gehuchten.
De meeste inwoners van Meijel leefden van kleine gemengde landbouwbedrijven en de leefomstandigheden waren eenvoudig en pover.
Piet was een late roeping zoals dat heet. Hij was 26 toen hij besloot het klooster in te gaan. Waarom hij dat deed is wat onduidelijk. Er was geen sprake van een lang bestaande wens om priester te worden of dwang vanuit de ouders zoals je in die tijd wel zag.
Wat mogelijk een rol speelde is het feit dat zijn verloofde, Petronella Janssen, besloten had om de verloving te beëindigen en in het klooster te treden.
Piet trad in in de congregatie van de Franse Paters in Grave die zich speciaal richtte op minder bedeelde studenten, zonen van arme boeren en handwerkers met een late roepingen.
De omstandigheden in Grave waren zeer pover en het regime uitermate sober en streng. Het onderwijs was van een laag niveau, de leermiddelen onder de maat en ouderejaars gaven vaak lessen bij gebrek aan docenten.
Velen haakten al snel af maar Piet bleek een blijvertje.

In 1912 vertrok hij, 35 jaar oud, nog voor zijn priesterwijding naar China. De reden dat hij nog, voor hij formeel priester was, al naar de missie trok is ongewis maar vermoed wordt dat hij via via gehoord had van de mogelijkheid om in China aan de slag te gaan en zelf het initiatief heeft genomen om die stap te zetten.
Op 14 december 1912 werd hij in Pao Ting Fau tot priester gewijd.
Hij stortte zich met volle ijver op het ‘zieltjes winnen’; het was zijn roeping om zoveel mogelijk heidenen van de eeuwige verdoemenis te redden. Zijn missionering verliep moeizaam en zat vol tegenslagen. Ook getalsmatig was het zeker geen succes. Tekenend is dat zijn parochie in Nan Song Tsou’en op het einde van zijn Missionaat waarschijnlijk minder katholieken telde dan bij zijn komst.

Mét veel andere Nederlandse missionarissen, gaf Willems blijk van westers superioriteitsgevoel. Chinezen waren in zijn ogen – bijna zonder uitzondering – van een lagere rangorde. Van respect voor de inlandse religie en cultuur was bij de paternalistische Meijelnaar geen sprake. Hij zag als absolute katholiek er enkel heidendom en afgoderij in. Buiten de Europese Kerk en de Westerse beschaving was geen zielenheil mogelijk. Enkel de doop zou de inlanders het ware geluk kunnen schenken. Er moesten daarom zoveel mogelijk zielen worden gered.
Mede als gevolg van deze opstelling had hij steeds heimwee naar zijn familie en vrienden in zijn geboorteland. Een lang bezoek in 1924, toen hij liefderijk werd opgevangen door de Meijelse armenmeester Lambertus Janssen, diens vrouw en haar dochter, versterkte zijn hunkering naar het Peeldorp nog. Chinezen zijn voor hem altijd vreemden gebleven.
Verreweg de meeste missionarissen dachten zoals hij en Willems was simpelweg een gewone Meijelse boerenzoon zonder hoge intellectuele aspiraties noch bijzondere sociologische of theologische inzichten.

De periode dat Piet Willems missionaris was, duurde vanaf zijn aankomst in China in 1912 tot aan zijn vertrek naar de Maristen in 1930. Toen gaf hij, feitelijk, zijn missietaak op.
Willems kwam daarna als aalmoezenier terecht in de buurt van Peking. Daar sleet hij zijn laatste 17 levensjaren, soms betrekkelijk rustig, soms bedreigd door oorlog en geweld en met een almaar slechter wordende gezondheid.
Of en hoe vaak hij in deze jaren nog mijmerde over zijn geliefde geboortedorp is niet bekend, maar ongetwijfeld zal hij zich wel eens hebben afgevraagd of de keuze die hij in 1912 had gemaakt, wel juist was geweest, en waar al zijn inzet uiteindelijk goed voor was.

In 1947 stierf de Meijelnaar op 70 jarige leeftijd. Hij was fysiek op.
Angst voor de dood had Willems nauwelijks want hij leefde in de zekerheid dat de eeuwigheid de beloning was voor het martelaarschap in naam van God. Volgens het romantische missionarisbeeld hoorde een missionaris te sterven op het slagveld van het ongeloof.
Of zijn grafmonument in Hei Shan Hou nog bestaat, is niet bekend. Moge hij hoe dan ook er nog steeds rusten in vrede, mogelijk af en toe nog mijmerend over de warme, katholieke dorpsgemeenschap die Meijel toen was.

Het is zeker interessant om het boekje  “Pater Willems, Meijelnaar in China” geschreven door Jos Pouls eens te lezen.
Daarin komt het beeld naar voren van een wat naïeve niet bovenmatige intelligente man die enkele, voor zijn leven, cruciale beslissingen vooral impulsief nam.
Eenmaal in een bepaalde situatie beland, was hij iemand die vast hield aan zijn keuzes maar die, zo proef je in het boek, nooit helemaal zijn draai vond in China en in zijn missionaris werk.

Tom van Bakel.


Waarom er meer lange mannen in Meijel wonen dan elders.
In Helden praatte men er vroeger over dat de mannen in Meijel opmerkelijk langer waren dan elders. Als verklaring voor dit verschijnsel werd het volgende verteld.
Meijel lag eeuwenlang als een eiland in het moeras van de Peel. Het contact met de dorpen aan de andere kant van de Peel was in vroeger eeuwen door dat moeras wel wat moeilijker dan nu. Bovendien lag het op de grens van Brabant. Een geschikte uitwijkplaats voor mensen voor wie het in hun eigen dorpen niet veilig was.

Van 1713 tot 1740 was Frederik Willem I Koning van Pruisen.
Die Frederik Willem I was, behalve Koning van Pruisen, ook Hertog van Gelder. Zijn zeggenschap strekte zich uit tot Venray en daaronder viel ook het land van Helden en Kessel.
Je zou denken dat dat niet iets is waar de Meijelsen van die tijd zich over opwonden.
Meijel behoorde in die tijd namelijk tot het Aartshertogdom Oostenrijk.
Deze Frederik Willem I had een wat vreemde hobby; hij verzamelde lange mannen!
Het verhaal gaat dat deze lange mannen minstens 2 meter groot moesten zijn.
Als je  de geschiedenis boeken er op na slaat wordt daar een lengte van minimaal 6 Pruisische Voet (1,88 meter) genoemd wat in die tijd, waarin de mens veel kleiner was dan nu, erg groot was.
Met die lange mannen stelde hij een bijzondere lijfwacht samen; de Riesengarde.
Hij was voor die Garde voortdurend op zoek naar lange kerels en liet stad en land afstropen door zijn “wervers”.
De methode waarmee deze werving werd uitgevoerd steunde blijkbaar niet op een wet voor de krijgsdienst, maar op vrijwilligheid. De uitgezochte kandidaten werden, als het kon thuis benaderd, maar dienst bij de koning werd door de jongens en hun ouders zo gevreesd, dat het zelden tot een contract kwam, ook al bood men handgeld.
De ronselaars probeerden dan in cafés, door het aanbieden van drank en handgeld de jongens tot tekening van een contract over te halen en, als dat niet lukte, hen te overvallen en mee te voeren.
Die soldaten­wervers kwamen ook in Helden. Ze hingen aanplakbiljetten op, waarop stond “Es wird auch, nach der Mannes-Mas, ein gutes Hand-Geld gegeben”.
Door de belofte van dat hand­geld werden jonge kerels naar inschrijfher­bergen gelokt en flink voorzien van alcohol zetten ze daar hun hand­tekening onder het Pruisische contract.
Eenmaal in de Riesengarde opgenomen kwam men vrijwillig niet meer vrij.
Deze wervingen moeten blijkbaar jaren achtereen zijn doorgegaan.

Links op de foto W. Rooijakkers (Merkus Willem), een typisch voorbeeld van de lange “echte Maelsen” zoals er oorspronkelijk bij deze foto uit 1910 Stond. Rechts op het paard zit Linske Rooijakkers.
De schrikbeelden van dit soort mensenroof bleven lang hangen. Een verteller uit Kessel zei dat de Duitse wervers van dorp tot dorp trokken over een, tot in zijn tijd in Neer-Kessel-Baarlo en Maasbree, nog aan te wijzen pad door de velden, dat men zelfs “de wervers-paad” ging noemen.
Het liep van Maasbree over Zandberg en Soeterbeek naar Baarlo. Vandaar richting Hummeren, Oijen-Hout, over de Tasbeek de Scheiweg volgend, langs Kessel heen naar Eijck-Hanssum en Neer. Restanten van dit pad bleven in gebruik.

Er was ook verzet tegen de wervers. Zo naderden twee wervers eens het dorp Kessel en hoorden in een schuur het geklop van vier dorsvlegels (de vierslag). Twee jonge knechten konden zich nog verstoppen boven de deel. De twee wervers kwamen binnen en vroegen: “Jullie waren met vier. Waar zijn de twee anderen ?” Ze pakten zelf de ladder en klommen op de overdeel om ze te zoeken. De jongens echter sloegen hen beiden van de ladder naar beneden op de harde dorsvloer. Totaal onthutst en flink gekneusd gingen ze onverrichterzake verder.

De meeste lange jonge mannen uit Helden, Kessel en Sevenum hadden er geen enkele behoefte aan in de Pruisische Riesen­garde opge­nomen te worden. Ze vluchtten, door het moeras­sig gebied rond de Sloot en trokken zo naar het noordelijk­ste gebied van het Oostenrijks Over­kwartier van Gelre, Meijel dus. Daar had­den de Pruisen niets te zeggen. De jonge mannen vonden er knappe Meijelse dörskes, trouwden met hen en kregen kinderen van grote lengte.
Toen Frederik II de Grote, bijgenaamd der alte Fritz, en zoon  van Frederik Willem I van Pruisen, in 1740 een einde maakte aan de hobby van zijn vader, hadden voldoende lange mannen in Meijel wortel geschoten. Daarom wonen er in Meijel meer lange mannen dan elders.
Behalve dat het een wat vreemde hobby van Frederik Willem I was, had het oprichten van dit regiment van “Lange Kerls” ook nog een praktische reden.
Langere mannen konden geweren met langere lopen gebruiken. De laadstok kon sneller uit de voorlader getrokken worden en ingevoerd worden in de loop van het geweer. Met zo’n geweer met een langere loop konden de mannen verder en nauwkeuriger schieten.
Toen het regiment in 1740 werd opgeheven bestond het uit 3.200 mannen.
Het is niet bekend of daar ook mannen uit het land van Helden en Kessel bij zaten.

Dit artikel is gebaseerd op twee notities c.q. uittreksels van boeken in het archief van respectievelijk Henk Willems en Herman Crompvoets.

Tom van Bakel.


 Dit verhaal van een ooggetuige van de oorlog in Meijel komt uit het boek; “Meijel en de tweede wereldoorlog. De laatste getuigen.”

Bèr Nijssen, geboren in 1933, in de oorlog woonachtig in de Vieruitersten.
‘Mijn vader was Sjeng Nijssen (Sjeng van den Engel) en mijn moeder To van der Weerden (To van Hillekes’ Bert). Ik had nog twee broers, Jacq (die later in Steyl priester werd) en Tom, en twee zussen, Roos en Door. Vader had een boerderij op de Vieruitersten.

Mijn verhaal speelt zich af in de herfst van 1944. De Duitsers zaten aan de overzijde van het kanaal en er werd hard gevochten. We moesten op een gegeven moment van de Duitsers weg, naar Venlo, maar dat deed mijn vader niet. We gingen naar opa en oma van moeders kant, die in de Steegstraat in Meijel woonden. Daar waren wij buiten aan het spelen. Cor van der Asdonk en mijn broer Jacq gingen kijken naar de eerste Amerikanen die in Meijel aankwamen. Ik mocht niet mee omdat ik nog te jong was.

Ik was bij opa en oma toen de Duitsers op de kerk en de melkfabriek begonnen te schieten; vooral de schoorsteen was een geliefd mikpunt. Oma van vaders kant (den Engel) woonde bij ons in de Vieruitersten in en was met ons meegegaan naar de Steegstraat. Ze was melkbussen aan het wassen en toen viel er een granaat neer op den Doelhof. ‘We moeten naar binnen’, werd tegen ons geroepen, maar het was nog ver weg, dus dat deden we niet. En toen kwam in een keer een granaat bij ons in de achterkeuken terecht, boven de pomp waar oma de melkbussen aan het wassen was.
Mijn oma was op slag dood. Het was op de 20ste oktober, ik ben dat nooit vergeten. De granaatscherven raakten ook mij en verbrijzelden mijn hiel helemaal. Niek en Tun Trines waren die dag bij Sanders’ Ber en kwamen kijken wat er bij ons was gebeurd. Zij hebben mij naar buiten gedragen waarbij ze nog een paar keer op de grond moesten gaan liggen vanwege het granaatvuur. Pijn had ik gelukkig niet. Ze brachten me naar de melkfabriek, die tegenover ons lag. Toen ik daar kwam, liep er een grote bouvier rond waarvoor ik erge schrik had. Het beest deed echter niemand kwaad.
Mijn moeder stond toen het gebeurde, te koken in de achterkeuken.
Zij had de kleren tussen haar benen helemaal aan flarden, maar gelukkig mankeerde haar niets.
Ook was een poot van het fornuis kapot door het geweld. Mijn zus Door had een scherf in een arm en een been, maar gelukkig niet heel erg.
Ik werd in een open Amerikaanse auto naar Asten gebracht, naar het lazaret. Ik weet nog dat de vlag van het Rode Kruis langs mijn gezicht wapperde. In Asten kwamen Meijelse mensen kijken naar wie er in de auto lag. Ik dus. Mijn zus ging ook naar het lazaret. Ikzelf moest daarna door naar het ziekenhuis van Helmond en moest daar zes weken blijven.

 

De jonge Bèr Nijssen in opleiding tot schoenmaker op de Heibloem, ca. 1948.

 

Mijn onderbeen werd halverwege de voet en de knie geamputeerd. De voet was niet meer te redden. Ik meen dat ik één keer bezoek heb gehad van vader en moeder, want het was voor hen erg moeilijk om er te komen. Wraakgevoelens tegenover Duitsers heb ik overigens nooit gehad over het gebeuren; ook een Amerikaan of Engelsman had de granaat kunnen afvuren.
Na die zes weken ging ik voor verder herstel naar Aarle-Rixtel. Met Sinterklaas 1944 mocht ik gelukkig naar huis. De oorlog was inmiddels in Meijel afgelopen. Ik heb nog lang op krukken moeten lopen, die gemaakt waren door Coumans op de Hoek. Dat ging overigens prima. Tussen de één en twee jaar heb ik zonder prothese gelopen. In Leiden (en later in de St. Maartenskiniek in Nijmegen) werd op een gegeven moment een prothese voor me gemaakt.
Omdat ik nog in de groei zat, moesten er steeds nieuwe protheses komen.
Van de gemeente kregen mijn ouders 100 gulden voor nieuwe broeken; vanwege de prothese sleten die namelijk snel. Met mijn plechtige communie kreeg ik een pofbroek zodat de prothese niet te zien was.
Ik kan achteraf zeggen dat ik 75 jaar zonder veel problemen met de prothese heb kunnen lopen.
Zelfs voetballen met mijn vrienden – o.a. Jac en Jo Crompvoets, Frits van der Koelen, Geert Ghielen, Hadje Martens en Jo Lenders – en dansen lukte met de prothese.
Vanwege mijn beperking volgde ik na de lagere school van 1946 tot 1949 de opleiding voor schoenmaker en schoenhersteller aan de ambachtsschool St. Aloysius op de Heibloem zodat ik in het eigen onderhoud zou kunnen voorzien. Daarna heb ik twee jaar bij Rulkens in Roermond gewerkt en bij Van der Kop in Heythuysen.

 

Schoenmakers in opleiding op de Heibloem; Bèr is de jongen
met hand op de rechter schouder;
Jacq Janssen uit Beringe
(schoenzaak Panningen, later Trend) = kleine jongen naast
staande jongen rechts.

 

In 1954 ben ik als schoenhersteller voor mezelf begonnen in het nieuwgebouwde huis van mijn ouders in de Dorpsstraat. Mijn zus Roos deed de verkoop in de winkel. In 1960 ben ik getrouwd en zijn mijn ouders verhuisd naar de Jan Truijenstraat. Tot mijn 63ste heb ik de winkel met schoenherstel gehad.’

Het boek Meijel en de Tweede Wereldoorlog bevat, naast 60 van dergelijke ooggetuigen verhalen en fragmenten van dagboeken, ook een historisch intermezzo waarin ingegaan wordt op wat “de rafelranden van de Meijelse oorlog” wordt genoemd. Daarin gaat het onder andere over foute Meijelsen en goede Duitsers. Dit boek is te koop voor € 18,50 bij Medelo en Coolen Pluijm.

Tom van Bakel


Nieuwe rubriek op de site van KBO Meijel.

De oudste schriftelijke vermeldingen van Medelo, zoals Meijel toen heette, dateren van ergens tussen 1300 en 1400.
De kern van dat Medelo lag nabij de St. Wilbertsput die nu zowat op de grens tussen Noord Brabant en Limburg ligt.
In dat gebied, Luttel Meijel genaamd, stonden nabij de Molenstraat in het begin van de vijftiende eeuw de belangrijkste gebouwen, eigendommen van de heer van Meijel: een grote pachthoeve, een ruim ingerichte herberg Den Swaen, waar ook de bijeenkomsten van de schepenen, het dorpsbestuur, gehouden werden, de banmolen waar iedere Meijelnaar tegen betaling zijn koren moest laten malen en eenelfde ten behoeve van de Heer moest achterlaten, het panhuys, de enig toegestane bierbrouwerij waar op elke liter gebrouwen bier voor diezelfde heer belasting geheven werd.
Het gebied heette na 1600 De Hof, naar de oude pachthoeve.
De kerk van Meijel stond voor 1400 al in het huidige centrum, waar zich na 1645 ook de bestuurlijke macht vestigde. Tot 1795, het jaar dat de heerlijkheid Meijel voorbij was, werd hier de pastoor aangesteld op voordracht van de heer van Meijel, terwijl het gemeentebestuur voorstellen mocht doen voor een nieuwe kapelaan. De geschiedenis van Meijel, maar ook de eigen taal, de vaak armoedige boerderijtjes, de herbergen en de werkzaamheden van de bewoners werden vele eeuwen lang volledig bepaald door de geïsoleerde ligging in de Peel, aan die oude weg tussen Brabant en Limburg.
Het harde pioniersleven bracht daar geen kastelen of grote herenhuizen, hoewel de Vrijheerlijkheid Meijel voor de heren van Meijel een kostbaar bezit was. Zij hoefden er tot in de achttiende eeuw geen hogere macht te erkennen en voor de inwoners was er zelfs geen appel bij een andere rechtbank mogelijk na een uitspraak van de schepenen in de Meijelse dingbank. Het oude dorp kende vele eeuwen van armoede door de schrale en weinige grond en door de overlast van doortrekkende en rovende troepen in vele oorlogen en tijdens perioden van algemene werkeloosheid en ellende. Noodzakelijkerwijs groeide er daarom een gemeenschap met saamhorigheid (nòbberschap), verenigingen en coöperatie.
Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw brak Meijel langzaam open, toen na de aanleg van de vier kanalen de oude mulle zandwegen veranderd werden in verharde banen over de dijken door het veen (Heldensedijk, Roggelsedijk en Nederweerterdijk) en toen met moderne technieken de woeste Peel beter omgezet kon worden in landbouwgrond. Meijel bleef nog lang een hoofdzakelijk agrarische gemeente, maar na de Tweede Wereldoorlog werd het ook aantrekkelijk voor ambachtelijke bedrijven, voor hen die in plattelandssfeer willen wonen en voor toeristen die rust en natuur met goede wandel- en fietsroutes zoeken met voorzieningen op korte afstand.
Al die jaren van geschiedenis van Meijel hebben, dat kan niet anders, verhalen opgeleverd over bijzondere mensen en bijzondere gebeurtenissen.

Deze verhalen zullen, met ingang van 15 december aanstaande, maandelijks verteld worden in een nieuwe rubriek die op de site van de KBO Meijel verschijnt.
Dit in samenwerking met de Heemkundevereniging Meijel.

De naam van deze rubriek wordt; “ Medelohuukske”.
Bron; Geschiedenis Meijel. Meijel in vogelvlucht.

Tom van Bakel.