Medelohuukske

Waarom er meer lange mannen in Meijel wonen dan elders.
In Helden praatte men er vroeger over dat de mannen in Meijel opmerkelijk langer waren dan elders. Als verklaring voor dit verschijnsel werd het volgende verteld.
Meijel lag eeuwenlang als een eiland in het moeras van de Peel. Het contact met de dorpen aan de andere kant van de Peel was in vroeger eeuwen door dat moeras wel wat moeilijker dan nu. Bovendien lag het op de grens van Brabant. Een geschikte uitwijkplaats voor mensen voor wie het in hun eigen dorpen niet veilig was.

Van 1713 tot 1740 was Frederik Willem I Koning van Pruisen.
Die Frederik Willem I was, behalve Koning van Pruisen, ook Hertog van Gelder. Zijn zeggenschap strekte zich uit tot Venray en daaronder viel ook het land van Helden en Kessel.
Je zou denken dat dat niet iets is waar de Meijelsen van die tijd zich over opwonden.
Meijel behoorde in die tijd namelijk tot het Aartshertogdom Oostenrijk.
Deze Frederik Willem I had een wat vreemde hobby; hij verzamelde lange mannen!
Het verhaal gaat dat deze lange mannen minstens 2 meter groot moesten zijn.
Als je  de geschiedenis boeken er op na slaat wordt daar een lengte van minimaal 6 Pruisische Voet (1,88 meter) genoemd wat in die tijd, waarin de mens veel kleiner was dan nu, erg groot was.
Met die lange mannen stelde hij een bijzondere lijfwacht samen; de Riesengarde.
Hij was voor die Garde voortdurend op zoek naar lange kerels en liet stad en land afstropen door zijn “wervers”.
De methode waarmee deze werving werd uitgevoerd steunde blijkbaar niet op een wet voor de krijgsdienst, maar op vrijwilligheid. De uitgezochte kandidaten werden, als het kon thuis benaderd, maar dienst bij de koning werd door de jongens en hun ouders zo gevreesd, dat het zelden tot een contract kwam, ook al bood men handgeld.
De ronselaars probeerden dan in cafés, door het aanbieden van drank en handgeld de jongens tot tekening van een contract over te halen en, als dat niet lukte, hen te overvallen en mee te voeren.
Die soldaten­wervers kwamen ook in Helden. Ze hingen aanplakbiljetten op, waarop stond “Es wird auch, nach der Mannes-Mas, ein gutes Hand-Geld gegeben”.
Door de belofte van dat hand­geld werden jonge kerels naar inschrijfher­bergen gelokt en flink voorzien van alcohol zetten ze daar hun hand­tekening onder het Pruisische contract.
Eenmaal in de Riesengarde opgenomen kwam men vrijwillig niet meer vrij.
Deze wervingen moeten blijkbaar jaren achtereen zijn doorgegaan.

Links op de foto W. Rooijakkers (Merkus Willem), een typisch voorbeeld van de lange “echte Maelsen” zoals er oorspronkelijk bij deze foto uit 1910 Stond. Rechts op het paard zit Linske Rooijakkers.
De schrikbeelden van dit soort mensenroof bleven lang hangen. Een verteller uit Kessel zei dat de Duitse wervers van dorp tot dorp trokken over een, tot in zijn tijd in Neer-Kessel-Baarlo en Maasbree, nog aan te wijzen pad door de velden, dat men zelfs “de wervers-paad” ging noemen.
Het liep van Maasbree over Zandberg en Soeterbeek naar Baarlo. Vandaar richting Hummeren, Oijen-Hout, over de Tasbeek de Scheiweg volgend, langs Kessel heen naar Eijck-Hanssum en Neer. Restanten van dit pad bleven in gebruik.

Er was ook verzet tegen de wervers. Zo naderden twee wervers eens het dorp Kessel en hoorden in een schuur het geklop van vier dorsvlegels (de vierslag). Twee jonge knechten konden zich nog verstoppen boven de deel. De twee wervers kwamen binnen en vroegen: “Jullie waren met vier. Waar zijn de twee anderen ?” Ze pakten zelf de ladder en klommen op de overdeel om ze te zoeken. De jongens echter sloegen hen beiden van de ladder naar beneden op de harde dorsvloer. Totaal onthutst en flink gekneusd gingen ze onverrichterzake verder.

De meeste lange jonge mannen uit Helden, Kessel en Sevenum hadden er geen enkele behoefte aan in de Pruisische Riesen­garde opge­nomen te worden. Ze vluchtten, door het moeras­sig gebied rond de Sloot en trokken zo naar het noordelijk­ste gebied van het Oostenrijks Over­kwartier van Gelre, Meijel dus. Daar had­den de Pruisen niets te zeggen. De jonge mannen vonden er knappe Meijelse dörskes, trouwden met hen en kregen kinderen van grote lengte.
Toen Frederik II de Grote, bijgenaamd der alte Fritz, en zoon  van Frederik Willem I van Pruisen, in 1740 een einde maakte aan de hobby van zijn vader, hadden voldoende lange mannen in Meijel wortel geschoten. Daarom wonen er in Meijel meer lange mannen dan elders.
Behalve dat het een wat vreemde hobby van Frederik Willem I was, had het oprichten van dit regiment van “Lange Kerls” ook nog een praktische reden.
Langere mannen konden geweren met langere lopen gebruiken. De laadstok kon sneller uit de voorlader getrokken worden en ingevoerd worden in de loop van het geweer. Met zo’n geweer met een langere loop konden de mannen verder en nauwkeuriger schieten.
Toen het regiment in 1740 werd opgeheven bestond het uit 3.200 mannen.
Het is niet bekend of daar ook mannen uit het land van Helden en Kessel bij zaten.

Dit artikel is gebaseerd op twee notities c.q. uittreksels van boeken in het archief van respectievelijk Henk Willems en Herman Crompvoets.

Tom van Bakel.


 Dit verhaal van een ooggetuige van de oorlog in Meijel komt uit het boek; “Meijel en de tweede wereldoorlog. De laatste getuigen.”

Bèr Nijssen, geboren in 1933, in de oorlog woonachtig in de Vieruitersten.
‘Mijn vader was Sjeng Nijssen (Sjeng van den Engel) en mijn moeder To van der Weerden (To van Hillekes’ Bert). Ik had nog twee broers, Jacq (die later in Steyl priester werd) en Tom, en twee zussen, Roos en Door. Vader had een boerderij op de Vieruitersten.

Mijn verhaal speelt zich af in de herfst van 1944. De Duitsers zaten aan de overzijde van het kanaal en er werd hard gevochten. We moesten op een gegeven moment van de Duitsers weg, naar Venlo, maar dat deed mijn vader niet. We gingen naar opa en oma van moeders kant, die in de Steegstraat in Meijel woonden. Daar waren wij buiten aan het spelen. Cor van der Asdonk en mijn broer Jacq gingen kijken naar de eerste Amerikanen die in Meijel aankwamen. Ik mocht niet mee omdat ik nog te jong was.

Ik was bij opa en oma toen de Duitsers op de kerk en de melkfabriek begonnen te schieten; vooral de schoorsteen was een geliefd mikpunt. Oma van vaders kant (den Engel) woonde bij ons in de Vieruitersten in en was met ons meegegaan naar de Steegstraat. Ze was melkbussen aan het wassen en toen viel er een granaat neer op den Doelhof. ‘We moeten naar binnen’, werd tegen ons geroepen, maar het was nog ver weg, dus dat deden we niet. En toen kwam in een keer een granaat bij ons in de achterkeuken terecht, boven de pomp waar oma de melkbussen aan het wassen was.
Mijn oma was op slag dood. Het was op de 20ste oktober, ik ben dat nooit vergeten. De granaatscherven raakten ook mij en verbrijzelden mijn hiel helemaal. Niek en Tun Trines waren die dag bij Sanders’ Ber en kwamen kijken wat er bij ons was gebeurd. Zij hebben mij naar buiten gedragen waarbij ze nog een paar keer op de grond moesten gaan liggen vanwege het granaatvuur. Pijn had ik gelukkig niet. Ze brachten me naar de melkfabriek, die tegenover ons lag. Toen ik daar kwam, liep er een grote bouvier rond waarvoor ik erge schrik had. Het beest deed echter niemand kwaad.
Mijn moeder stond toen het gebeurde, te koken in de achterkeuken.
Zij had de kleren tussen haar benen helemaal aan flarden, maar gelukkig mankeerde haar niets.
Ook was een poot van het fornuis kapot door het geweld. Mijn zus Door had een scherf in een arm en een been, maar gelukkig niet heel erg.
Ik werd in een open Amerikaanse auto naar Asten gebracht, naar het lazaret. Ik weet nog dat de vlag van het Rode Kruis langs mijn gezicht wapperde. In Asten kwamen Meijelse mensen kijken naar wie er in de auto lag. Ik dus. Mijn zus ging ook naar het lazaret. Ikzelf moest daarna door naar het ziekenhuis van Helmond en moest daar zes weken blijven.

 

De jonge Bèr Nijssen in opleiding tot schoenmaker op de Heibloem, ca. 1948.

 

Mijn onderbeen werd halverwege de voet en de knie geamputeerd. De voet was niet meer te redden. Ik meen dat ik één keer bezoek heb gehad van vader en moeder, want het was voor hen erg moeilijk om er te komen. Wraakgevoelens tegenover Duitsers heb ik overigens nooit gehad over het gebeuren; ook een Amerikaan of Engelsman had de granaat kunnen afvuren.
Na die zes weken ging ik voor verder herstel naar Aarle-Rixtel. Met Sinterklaas 1944 mocht ik gelukkig naar huis. De oorlog was inmiddels in Meijel afgelopen. Ik heb nog lang op krukken moeten lopen, die gemaakt waren door Coumans op de Hoek. Dat ging overigens prima. Tussen de één en twee jaar heb ik zonder prothese gelopen. In Leiden (en later in de St. Maartenskiniek in Nijmegen) werd op een gegeven moment een prothese voor me gemaakt.
Omdat ik nog in de groei zat, moesten er steeds nieuwe protheses komen.
Van de gemeente kregen mijn ouders 100 gulden voor nieuwe broeken; vanwege de prothese sleten die namelijk snel. Met mijn plechtige communie kreeg ik een pofbroek zodat de prothese niet te zien was.
Ik kan achteraf zeggen dat ik 75 jaar zonder veel problemen met de prothese heb kunnen lopen.
Zelfs voetballen met mijn vrienden – o.a. Jac en Jo Crompvoets, Frits van der Koelen, Geert Ghielen, Hadje Martens en Jo Lenders – en dansen lukte met de prothese.
Vanwege mijn beperking volgde ik na de lagere school van 1946 tot 1949 de opleiding voor schoenmaker en schoenhersteller aan de ambachtsschool St. Aloysius op de Heibloem zodat ik in het eigen onderhoud zou kunnen voorzien. Daarna heb ik twee jaar bij Rulkens in Roermond gewerkt en bij Van der Kop in Heythuysen.

 

Schoenmakers in opleiding op de Heibloem; Bèr is de jongen
met hand op de rechter schouder;
Jacq Janssen uit Beringe
(schoenzaak Panningen, later Trend) = kleine jongen naast
staande jongen rechts.

 

In 1954 ben ik als schoenhersteller voor mezelf begonnen in het nieuwgebouwde huis van mijn ouders in de Dorpsstraat. Mijn zus Roos deed de verkoop in de winkel. In 1960 ben ik getrouwd en zijn mijn ouders verhuisd naar de Jan Truijenstraat. Tot mijn 63ste heb ik de winkel met schoenherstel gehad.’

Het boek Meijel en de Tweede Wereldoorlog bevat, naast 60 van dergelijke ooggetuigen verhalen en fragmenten van dagboeken, ook een historisch intermezzo waarin ingegaan wordt op wat “de rafelranden van de Meijelse oorlog” wordt genoemd. Daarin gaat het onder andere over foute Meijelsen en goede Duitsers. Dit boek is te koop voor € 18,50 bij Medelo en Coolen Pluijm.

Tom van Bakel


Nieuwe rubriek op de site van KBO Meijel.

De oudste schriftelijke vermeldingen van Medelo, zoals Meijel toen heette, dateren van ergens tussen 1300 en 1400.
De kern van dat Medelo lag nabij de St. Wilbertsput die nu zowat op de grens tussen Noord Brabant en Limburg ligt.
In dat gebied, Luttel Meijel genaamd, stonden nabij de Molenstraat in het begin van de vijftiende eeuw de belangrijkste gebouwen, eigendommen van de heer van Meijel: een grote pachthoeve, een ruim ingerichte herberg Den Swaen, waar ook de bijeenkomsten van de schepenen, het dorpsbestuur, gehouden werden, de banmolen waar iedere Meijelnaar tegen betaling zijn koren moest laten malen en eenelfde ten behoeve van de Heer moest achterlaten, het panhuys, de enig toegestane bierbrouwerij waar op elke liter gebrouwen bier voor diezelfde heer belasting geheven werd.
Het gebied heette na 1600 De Hof, naar de oude pachthoeve.
De kerk van Meijel stond voor 1400 al in het huidige centrum, waar zich na 1645 ook de bestuurlijke macht vestigde. Tot 1795, het jaar dat de heerlijkheid Meijel voorbij was, werd hier de pastoor aangesteld op voordracht van de heer van Meijel, terwijl het gemeentebestuur voorstellen mocht doen voor een nieuwe kapelaan. De geschiedenis van Meijel, maar ook de eigen taal, de vaak armoedige boerderijtjes, de herbergen en de werkzaamheden van de bewoners werden vele eeuwen lang volledig bepaald door de geïsoleerde ligging in de Peel, aan die oude weg tussen Brabant en Limburg.
Het harde pioniersleven bracht daar geen kastelen of grote herenhuizen, hoewel de Vrijheerlijkheid Meijel voor de heren van Meijel een kostbaar bezit was. Zij hoefden er tot in de achttiende eeuw geen hogere macht te erkennen en voor de inwoners was er zelfs geen appel bij een andere rechtbank mogelijk na een uitspraak van de schepenen in de Meijelse dingbank. Het oude dorp kende vele eeuwen van armoede door de schrale en weinige grond en door de overlast van doortrekkende en rovende troepen in vele oorlogen en tijdens perioden van algemene werkeloosheid en ellende. Noodzakelijkerwijs groeide er daarom een gemeenschap met saamhorigheid (nòbberschap), verenigingen en coöperatie.
Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw brak Meijel langzaam open, toen na de aanleg van de vier kanalen de oude mulle zandwegen veranderd werden in verharde banen over de dijken door het veen (Heldensedijk, Roggelsedijk en Nederweerterdijk) en toen met moderne technieken de woeste Peel beter omgezet kon worden in landbouwgrond. Meijel bleef nog lang een hoofdzakelijk agrarische gemeente, maar na de Tweede Wereldoorlog werd het ook aantrekkelijk voor ambachtelijke bedrijven, voor hen die in plattelandssfeer willen wonen en voor toeristen die rust en natuur met goede wandel- en fietsroutes zoeken met voorzieningen op korte afstand.
Al die jaren van geschiedenis van Meijel hebben, dat kan niet anders, verhalen opgeleverd over bijzondere mensen en bijzondere gebeurtenissen.

Deze verhalen zullen, met ingang van 15 december aanstaande, maandelijks verteld worden in een nieuwe rubriek die op de site van de KBO Meijel verschijnt.
Dit in samenwerking met de Heemkundevereniging Meijel.

De naam van deze rubriek wordt; “ Medelohuukske”.
Bron; Geschiedenis Meijel. Meijel in vogelvlucht.

Tom van Bakel.